Machtsstrijd Utrecht-Holland
Wereldlijk en kerkelijk bestuur
In de Vechtstreek hebben we in de Middeleeuwen te maken met verschillende categorieën van machthebbers: wereldlijke bestuurders naast kerkelijke gezagsdragers, zowel in de stad al op het platteland. Het hele gebied behoorde sinds ongeveer 720 tot het Frankische Rijk. Karel de Grote en zijn zoon Lodewijk de Vrome hadden nog dit hele rijk onder hun gezag, maar na hun dood werd het in 843 bij het delingsverdrag van Verdun en vervolgens bij latere verdragen onder hun nazaten verdeeld. De huidige provincies Utrecht en Noord-Holland behoorden sinds 925 tot het Oost-Frankische of Duitse Rijk, dat door koningen werd geregeerd die sinds 962 ook keizer konden worden, als ze door de paus met die waardigheid werden bekleed.
Kapittels
Onvrije boeren
Burgers
Naast het platteland waren er ook steden, waarvan de stad Utrecht verreweg de belangrijkste was. Niet alle inwoners van de stad waren burgers: daarvoor moest men burgerrecht verworven hebben, meestal door geboorte. Ook waren burgers en inwoners niet per definitie vrij, want er woonden sinds de dertiende eeuw ook veel schildboortige ministerialen in de stad, met stadspaleizen naast versterkte huizen op het platteland. De elite van de burgerij bestond eeuwenlang uit de leden van het koopliedengilde, vooral wijnkopers op Rijn en Moezel. Daarnaast speelden de ambachtsgilden een toenemende rol van betekenis. De bisschop, die de heer van de stad was, moest geducht rekening houden met zijn burgerij.
- Huidige Utrecht / Noord Holland waren sinds 925 onderdeel van het Duitse Rijk, geregeerd door koning of keizer
- Wereldlijk gezag namens de koning/keizer lag bij de Utrechtse bisschop en Graaf van Holland
- Beide partijen startten ontginningen van het moerassig gebied rond 1122
- Bisschop was ook geestelijk leider, moest rekening houden met machtige kloosters en kapittels
- Vanaf 13de eeuw opkomende macht van leenmannen en ministerialen, waaronder Van Amstels
- Karel V, keizer van het Habsburgse rijk, maakt in 1528 einde aan wereldlijke macht bisschop
Fort Vechten aan de splitsing van de Vecht
Het legerkamp in Vechten was veel groter dan dat in Utrecht. Beide legerplaatsen met omringende grond werden in 723 door de hofmeier Karel Martel geschonken aan het klooster (monasterium) binnen de muren van Utrecht waarover aartsbisschop Willibrord het toezicht had. Onder dit klooster mogen we de Sint Salvatorkerk of Oudmunster verstaan, die op het huidige Domplein lag ten zuiden van de latere dom. Opmerkelijk is dat bij die schenking ook `dat gegraven water van de weide’ (cum illo pascue Graveningo) inbegrepen was. Dat gegraven water was waarschijnlijk de voorloper van de Vleutense Wetering, die een verbinding vormde tussen de bocht van de huidige Oudegracht ter hoogte van Vredenburg en Vleuten aan de Rijn. Ten westen van de stad was de Leidse Rijn toen al zeer bochtig en bijna verland, zodat de Merovingische overheid al in de zevende of begin achtste eeuw een beter bevaarbare verbinding had laten graven, zowel voor handels- als voor oorlogsdoeleinden: een soort Merovingische limes.
Sint Martinuskerk wordt Dom
Eiland De Weerd in de Vecht
In de Romeinse en Merovingische tijd waren Utrecht en Vechten door de Rijn verbonden, niet door de Vecht. Deze rivier liep ten oosten en noorden om Utrecht heen tot haar mond in Muiden. Wel was er al in de tijd van Bonifatius een vlotte verbinding tussen Rijn en Vecht, doordat de hoofdtak van de Rijn naar het westen al sinds de tweede eeuw sterk begon te verlanden en zijn water langzamerhand naar het noorden liet afbuigen. Vermoedelijk was er een zijtakje van de Vecht dat in de Romeinse tijd in de Rijn bij de Utrechtse Neude uitkwam en in de loop der tijden zelf naar het noorden opschoof en het water van de Rijn mee omhoog trok naar het noorden. Op die manier ontstond in de loop van eeuwen een licht stromend water, dat later werd gekanaliseerd als het noordelijke stuk van de Oudegracht. Dit liep door tot de latere Waterstraat en Lange Lauwerstraat, waar de zuidelijke tak van een dubbele Vechtloop was ontstaan: de Vecht vormde hier een eiland, de Weerd, dat in het zuiden en noorden door water werd omspoeld.
Toen Bonifatius in 754 in Dokkum was vermoord, werden de lijken van hem en zijn metgezellen per schip uit Friesland over het Flevomeer naar Muiden gebracht en vervolgens over de Vecht om de Weerd heen naar het Domplein vervoerd en daar aan wal gezet. De verbinding via de Oudegracht bestond toen dus al.
De Weerd werd vermoedelijk in 1165 van zuid naar noord doorgegraven op grond van het bevel van keizer Frederik Barbarossa van dat jaar om ter bestrijding van de wateroverlast in het grensgebied met Holland bij Zwammerdam, de Noda door te graven. Noda of Neude betekent moeras, wat de Neude in Utrecht inderdaad was tot in de vijftiende eeuw. De naam moet hier zijn uitgebreid over het hele gebied van de Oudegracht noordzijde tot de zuidelijke Vechtarm bij de huidige Waterstraat. Deze doorgraving had echter in 1173 tot gevolg dat tijdens een grote overstroming van het Flevomeer via de Vecht deze hele zuidelijke Vechtarm een stuk naar het noorden opschoof, tot ongeveer de ligging van de latere stadsomwalling. Deze was in 1122 al aan de gang in het westen van de stad maar kwam in de andere delen van de stad pas veel later rond.
Tolrecht in 953
De bisschop krijgt wereldlijke macht
Abdij van Werden als grondbezitter
Werdense meijers
Macht overdragen aan kapittel van Sint Marie
Een kapittel is een college van geestelijken, niet per se priesters maar bij voorkeur wel tenminste met de wijding van subdiaken, dat in de eerste plaats dient om dag en nacht het koorgebed te onderhouden voor het zielenheil van de mensheid, en in de tweede plaats om een bisschop of andere heer bij te staan in zijn bestuurlijke aangelegenheden. Het is geen klooster en de leden van een kapittel, de kanunniken, zijn geen monniken. Sommige kapittels leven wel volgens een striktere regel dan andere: er zijn reguliere tegenover seculiere kapittels. De middeleeuwse kapittels in de stad Utrecht waren seculiere kapittels, waarvan de leden eigen bezit mochten hebben en binnen de immuniteit van hun kerk in eigen huizen mochten wonen.
De kapittelkerk van Sint Marie was de vierde kerk in het grote Utrechtse kerkenkruis, dat tijdens bisschop Bernold (1027-1054) na de dood van keizer Koenraad II in Utrecht op pinkstermaandag van het jaar 1039 was ontworpen in opdracht van diens zoon koning, sinds 1046 keizer, Hendrik III. De gestorven keizer werd in Speier begraven, maar pas nadat zijn hart en ingewanden uit zijn lijk waren verwijderd en apart in Utrecht bijgezet onder het Heilig Kruisaltaar in de viering (kruispunt van langschip en dwarsschip) van de nieuwe dom van bisschop Adelbold (1010-1026). Die nieuwe Sint Maartenskerk, gewijd in 1023, was een statig gebouw op de plaats van de huidige Domkerk en al bijna even groot van oppervlak. Het was de bedoeling dat door een kruis van kerken in de vier windrichtingen rondom het middelpunt in de dom het hart van keizer Koenraad II zou worden beschermd tegen boze geesten. Drie van de vier kerken zijn inderdaad tijdens de regering van bisschop Bernold gebouwd: de Sint-Pieterskerk in het oosten, de Sint Janskerk in het noorden en de Paulusabdij in het zuiden van de dom. Alleen de vierde kerk ontbrak nog, mede door de dood van bisschop Bernold en de moeilijkheden die bij de bouw van deze kerk in het westen van de stad werden ondervonden. Daar lagen de resten van de inmiddels verlande Rijnloop naar Katwijk, die samen met opborrelend kwelwater de fundering in de bodem bemoeilijkten. Pas met hulp van de keizers Hendrik IV en V kwam de kerk van Sint Marie in twee fasen onder de bisschoppen Koenraad (1076-1099) en Godebold (1114-1127) tot stand.
Opkomst heren van Amstel
Naerdincklant naar graaf Floris V
Relatie Van Amstels en graaf van Holland
Groeiende macht Holland
Moord op Floris V
De achtergrond van de ontvoering was de wisseling van politieke partij van graaf Floris V, die jarenlang een trouwe bondgenoot was geweest van de Engelse koning tegenover die van Frankrijk, maar in januari 1296 in het geheim was overgelopen naar Frankrijk. De bedoeling vande samenzweerders was zeker niet om de graaf te doden maar veeleer om hem af te zetten en levenslang gevangen te houden. Toen het landvolk bij het Muiderslot echter aandrong op zijn vrijlating, vatten ze uit wanhoop het plan op om hem over zee te vervoeren naar Engeland, waar hij de gevangene zou worden van de Engelse koning. De minderjarige zoon Jan van graaf Floris V werd aan het Engelse hof opgevoed en was bovendien verloofd met Elisabeth, dochter van koning Edward I van Engeland. Door de doodslag bij Muiderberg ging die overtocht niet door.
Confiscatie goederen Van Amstels
De gevolgen waren dramatisch, zowel voor de samenzweerders als voor het Nedersticht van Utrecht: Amstelland, het mondingsgebied van de Vecht, en het Gooi, goederen waarop de heren van Amstel aanspraak hadden gemaakt, werden geconfisqueerd en gingen voorgoed over naar Holland. Ook Woerden werd een Hollandse stad, wat het tot 1989 is gebleven. De daders ontvluchtten het land voorzover ze dat konden; Gerard van Velzen en anderen die uitweken naar het slot Kronenburg werden na de verovering en verwoesting van dit kasteel door Hollanders ter dood gebracht. Dit kasteel werd pas kort voor 1354 herbouwd.[9] Het Muiderslot werd eind 1296 door bisschop Willem van Utrecht veroverd en verwoest en ook pas in het midden van de veertiende eeuw herbouwd, op de oude vierkante plattegrond
Zowel Holland als het Nedersticht hadden jaren nodig om zich uit het machtsvacuüm in Holland en het financiële debacle van het Sticht omhoog te werken, en werden vervolgens sinds het midden van de veertiende eeuw geteisterd door de Hoekse en Kabeljauwse twisten met de parallel van de Lokhorsten en de Lichtenbergers in Utrecht. In de stad Utrecht verwierven de ambachtsgilden in 1304 de macht ten koste van de vroegere elite van rijke kooplieden, en later wisten geestelijkheid en ridderschap in 1375 van bisschop Arnold van Horn (1371-1378) de Stichtse Landbrief af te dwingen, die hun inspraak in het landsbestuur verzekerde. In de zo ontstane statenvergadering speelden de stadskapittels van het kerkenkruis een grote rol, naast de ridderschap, die in het Nedersticht geheel uit ministerialen bestond. De oude adel was hier allang verdwenen, anders dan in Holland, waar de ridderschap voor een deel nog door oude adellijke geslachten werd gevormd. De `welgeborenen’, die in Holland in de loop van de dertiende eeuw als edelen waren gaan gelden ongeacht hun geboortestand, hadden daar maar voor een deel hun ridderlijke levenswijze en status weten te behouden. Velen waren afgezakt tot boeren, hoewel ze formeel-juridisch van de privileges van de adel bleven genieten, tot ergernis van hun buren. In Utrecht deed zich die ontwikkeling niet voor, bij ontstentenis van een oude adel. De ministerialen-ridders en knapen waren trots op hun stand, die ze juridisch deelden met de boeren-ministerialen. Anders dan in Holland was de ministerialiteit in Utrecht, Gelre en het Oversticht een juridische stand blijven vormen, ongeacht het levenspeil en sociale niveau van haar leden. De ridderschap was daar en elders niet ontstaan uit de adel, maar juist van onderop uit de onvrije dienstlieden, waar zich de adel in de dertiende eeuw schoorvoetend bij had aangesloten.
Ontginningen
Verdeling van het te ontginnen land
Op dezelfde manier werden de ontginningen in het grensgebied met Holland langs de Vecht en de Angstel gedeeld tussen het kapittel van Sint-Pieter en diverse ministerialen, die daar sinds de dertiende eeuw ook kastelen of versterkte huizen bezaten in leen van de bisschop. De geslachten met bijbehorende huizen van Ruwiel, Ter Aa en Abcoude waren hier de hoofdrolspelers, zoals in detail uiteengezet in de dissertatie van A.L.P.Buitelaar, die ook ingaat op het recht van de dertiende penning bij verkoop van grond in het ontginningsgebied rondom Abcoude. Het ministerialengeslacht van Abcoude was vergelijkbaar met dat van Amstel, in die zin dat het buiten het Nedersticht in het hertogdom Brabant een geweldige carrière maakte, want door het huwelijk van Gijsbert van Abcoude met Johanna van Horn, erfgename van de hoge heerlijkheid Gaasbeek bij Brussel omstreeks 1350 werd zijn nageslacht daar tot de adel gerekend, terwijl het toch in Utrecht tot de ministerialiteit bleef behoren.
Ontrouwe leenmannen
Splinter gedroeg zich als roofridder en moest door bisschop Arnold van Horn in 1377 tot onderwerping worden gedwongen, maar werd opnieuw opstandig na diens dood in 1378. Pas in 1386 onder bisschop Floris van Wevelinkhoven (1379-1393) werd hij door een gerechtelijke uitspraak gedwongen, zijn huis als open huis aan de bisschop van Utrecht ter beschikking te stellen. Waarschijnlijk werd huis Oudaen aan de Vecht omstreeks 1300 door een heer van Loenersloot gesticht. Dit kasteel bleef steeds een betrouwbaar Utrechts leen zonder politieke of economische rol van betekenis. In 1429 kwam het door vererving in handen van de Utrechtse patriciërsfamilie Taets, die het stadskasteel bewoonde dat destijds huis Zoudenbalch heette en sinds 1467 huis Oudaen (toen er een nieuw huis Zoudenbalch achter de Buurkerk was verrezen), en die het huis aan de Vecht vermoedelijk als buitenhuis gebruikte.
Einde wereldlijke macht bisschop
Kapittels, ridderschap en stadspatriciaat hebben het de bisschop van Utrecht meer en meer lastig gemaakt om zijn dubbele taak als geestelijk en wereldlijk leider van het Nedersticht naar behoren te vervullen. De oprukkende macht van Bourgondië, dat het graafschap Holland in 1433 in handen kreeg, en vervolgens van Habsburg, bleek op den duur te sterk voor de verzwakte bisschop. In 1528 moest de elect-bisschop Hendrik van Beieren (1524-1528) zijn landsheerlijk gezag dan ook overdragen aan keizer Karel V.
Tekst: Dr Johanna Maria van Winter