Toegankelijkheid

Skip to main content

Over de oeverwal

Als noordelijkste zijtak van de Rijn voerde de oer-Vecht, uit het stroomgebied van de Rijn, het sediment (zand en klei) aan, waaruit de rivier haar oeverwallen en de achterliggende komgronden opbouwde. De oeverwal en de rivier vormen samen de stroomrug. In het grote Hollands-Utrechtse veenmoeras vormen de stroomruggen het fundament voor de toekomstige bewoning, voor het stichten van dorpen, de aanleg van wegen en de basis voor de latere ontginning van het veenmoeras.

Bezuinigingen en mechanisatie

Door de meerdere wetenschappelijke kennis werd het gewoon dat de melk die naar de steden werd gebracht eerst gepasteuriseerd werd. Hiermee werd de kans op uitbraken van tuberculose en andere besmettelijke ziekten aanzienlijk verminderd. Pasteuriseren was op het bedrijf niet mogelijk en melkfabrieken werden opgericht. Deze fabrieken produceerden ook veel fabriekskaas. Daarmee moest de zelfkazende boer concurreren met de goedkoper werkende fabriek. Zij deden dit door zeer veel aandacht te schenken aan de kwaliteit van de kaas.
De grote wereldcrisis van de dertiger jaren van de vorige eeuw zijn ook voor de boeren in de Vechtstreek niet ongemerkt voorbij gegaan. Margarine deed zijn intrede en daarmee verslechterde de afzet van boter. De exportmogelijkheden namen sterk af. Deze crisis was echter wel de start van een sterke, door de overheid gestimuleerde, modernisatie van het landbouwbedrijf die na de tweede wereldoorlog vorm kreeg.

  • Eind 19de eeuw crisis in de landbouw door instorten graanmarkt
  • Verbetering in verzorging en voeding vee leverde grotere melkproductie op
  • Opkomende industrie in pasteuriseren en verwerken kaas concurrentie voor kleine boeren.
  • Door opkomst kunstmest en verbeterde waterhuishouding nam productie land toe
    Groei bevolking zorgde voor grotere vraag tuinbouwproducten en dus toename tuinbouwteelt

Uitgebreide informatie

Inleiding

De Vecht begint sinds 1609 in de stad Utrecht bij de Weerdsluis. Eenmaal buiten de stad slingert de Vecht door het lage land om bijna vijfenveertig kilometer verder bij Muiden en het Muiderslot in het IJmeer uit te komen. Het verval over die afstand is slechts enkele centimeters. Opvallend is hoe het rivierlandschap over deze relatief korte afstand volledig van karakter verandert, zozeer dat we vier verschillende sferen kunnen onderscheiden, van stedelijk met dichte bebouwing, naar die van kleine dorpen met buitenplaatsen en parkbossen, vervolgens naar open land met boerderijen en vergezichten om te eindigen in de sfeer van de Zuiderzee. De verschillen zijn deels het gevolg van de natuurlijke processen, deels ontstaan door de activiteiten van de mens die op de natuurlijke verschillen van de ondergrond heeft ingespeeld.

Oeverwal

De oeverwallen zijn gevormd in de tijd dat de ‘Oer-Vecht’, als noordelijkste zijtak van de Kromme Rijn, de toenmalige hoofdstroom van de Rijn, een snelstromende rivier was die met zijn vele water, ook veel sediment uit de Alpen aanvoerde, om in het vlakke Utrechts-Hollandse veenmoeras het riviersysteem van Vecht, Aa en Angstel te vormen (zie ook ‘Ontstaan Landschap’). De oeverwallen, die als natuurlijke dijk de rivier binnen haar bedding houden, liggen op een stevige ondergrond van Pleistoceen zand en kunnen enkele meters hoog en tot tientallen meters breed worden.

Oeverwallen zijn natuurlijke dijken die door de rivier zelf bij overstromingen worden gevormd omdat de grovere en zwaardere deeltjes die de rivier meevoert op de oever naast de rivier terecht komen en daar bezinken. Het grovere materiaal (zand en grind) direct naast de oever, het fijnere materiaal verder van de rivier in de komgronden achter de oeverwal.

Vier landschappen

Door de opbouw van de oeverwal en het dichtslibben van de meren die hij onderweg tegenkwam (zoals het Breukelermeer en het Loenermeer) verloor de rivier stroomaf steeds meer sediment en ook door het verleggen van zijn loop. Dit verklaart waarom de oeverwallen bovenstrooms breed en hoog (1,5 tot 5 m) zijn en verder stroomaf, in het noorden veel smaller en lager (0,5 tot 1,5 m).

 In het grote, ondoordringbare veenmoeras waren de relatief hoge en droge oeverwallen met hun stevige ondergrond en vruchtbare bodem de natuurlijke en veilige locaties om zich te vestigen en voor het ontstaan van een netwerk van wegen en paden die de nederzettingen met elkaar verbond. Vanuit de lucht is goed te zien hoe de dorpen, bedrijven, buitenplaatsen, boerderijen en boomgaarden zich op de oeverwallen ter weerszijde van de rivier hebben gevestigd. Wanneer we de rivier stroomaf volgen zien we steeds een ander Vechtlandschap. Deze verschillen zijn mede te verklaren door het verschil in hoogte en breedte van de oeverwal tussen zuid en noord. De Vecht stroomaf volgend, onderscheiden wij: de Stedelijke Vecht, de Herenvecht, de Boerenvecht en de Zuiderzeevecht.

De Stedelijke of Zuilense Vecht

De Vecht begint Vecht bij de Utrechtse Weerdsluis, direct buiten de stadswallen en heeft daar een sterk verstedelijkt karakter. Daar, bij de Bemuurde Weerd waren ook tal van kleine industrietjes gevestigd, waaronder steen- en pannenbakkerijen en scheepswerven en het Sint Anthoniegasthuis. Voorbij de Rode Brug krijgt de Vecht al snel een groen en landelijk karakter met vanouds tuinderijen en een enkele (verdwenen) buitenplaats. Het Zandpad is geschikt gemaakt voor wandelaars, fietsers en langzaam vervoer. Met haar groene overs vervult de ‘Zuilense Vecht’ als ‘groene scheg’ een rol in de verbinding tussen de stad en het landschap om de stad, met accent op natuur, recreatie en cultuurhistorie. Deze scheg vormt een belangrijke schakel in het recreatieve routenetwerk tussen Utrecht en Maarssen.

Herenvecht

Direct voorbij het ‘Fort aan de Klop’ - dat de natuurlijke grens vormt tussen de Stedelijke Vecht en de Herenvecht - begint een open landschap met de achtergrond de hoge bomen van Slot Zuylen. De Herenvecht, die ligt tussen Oud Zuilen en Loenen, ontleent zij naam aan de 70 buitenplaatsen die, samen met hun parkbossen, sinds de 17e eeuw langs dat deel van de Vecht zijn gebouwd en die nog steeds bestaan en die samen met de historische dorpen en verspreide boerderijen het landschap bepalen. Komend vanuit het open veenweidegebied is de Herenvecht van een afstand te herkennen aan het donkere lint van de parkbossen.

Boerenvecht

Voorbij Loenen wordt de oeverwal steeds smaller en komen we in het gebied van de Boerenvecht. De Boerenvecht loopt tot de Hinderdam, waar tot 1672/73 een zeesluis lag om het gebied tegen overstromingen vanuit de Zuiderzee te beschermen.

Bovenstrooms had de rivier al veel van zijn slib verloren, met gevolg dat de oeverwal doorgaans zo smal is, dat deze in het landschap te herkennen is als de Vechtdijk, waarop de weg is aangelegd. Door de smalle oeverwal was de Boerenvecht minder geschikt voor het stichten van buitenplaatsen met parkbossen, met gevolg een open landschap dat bepaald wordt door de aan de rivierdijk gelegen boerderijen en vergezichten over het wijde agrarische vechtweidelandschap.

Dit landschapstype zien we ook langs de Angstel en het Gein, omdat ook daar de overwal smal is. Uit recent onderzoek blijkt dat veel boerderijen langs de Angstel en het Gein ooit de functie van buitenplaats hadden, d.w.z. dat zij op zodanige wijze waren aangepast dat de eigenaar uit de stad ze in de zomermaanden kon gebruiken als buitenverblijf. Het is aannemelijk dat ook meerdere boerderijen uit de Boerenvecht in bezit waren van dergelijke stedelijke ‘boeren op de buitenplaats’.

 

Zuiderzeevecht

De Hinderdam fungeerde als zeesluis tot de aanleg van de zeesluis in Muiden in 1674. Met gevolg dat de Vechtdijken benedenstrooms van de Hinderdam tegelijkertijd als rivierdijk en als zeewaterkering moesten fungeren. Zij stonden tot diep in het binnenland onder invloed van getijdenwerking. Bij aanhoudende noordenwinden of stormvloeden kwamen regelmatig overstromingen en dijkdoorbraken voor en ontstonden achter de dijk kolkgaten of wielen, waarvan enkele nog in het landschap zijn te herkennen.

De aanwezigheid van forten en de vestingwerken van Weesp en Muiden maken duidelijk dat de Zuiderzeevecht deel uitmaakt van de Hollandse Waterlinie en de Stelling van Amsterdam.

Stroomaf richting Weesp zijn grote delen van de Vechtdijk intensief bebouwd en in gebruik als ligplaats voor woonschepen; de spoorlijn domineert het landschap. Weesp, dat sinds 2022 als ‘stadsgebied’ bij Amsterdam hoort, kreeg in 1355 stadsrechten. Vanouds een bedrijvige en welvarende stad met ooit 25 industriemolens. Water speelt in de (economische) geschiedenis van Weesp een belangrijke rol, door het leveren aan Amsterdam van schoon drinkwater en voor de vele bierbrouwerijen en jeneverbranderijen die zich in de stad vestigden.

Buiten Weesp liggen op de linkeroever enkele boerderijen en een volkstuinencomplex; in de Bloemendalerpolder, verder westwaarts, wordt gebouwd aan de nieuwe woonwijk Weespersluis voor ongeveer 3.500 woningen. Over de smalle dijk van de rechteroever loopt de Lange Muiderweg met weer een lange rij woonboten. Bij de aanleg van de vernieuwde snelweg A1 bleef de Vecht door ondertunneling gespaard, maar van de oude Vechtdijk is weinig meer te herkennen.

Het sluizencomplex met het gemaal domineert de stad Muiden. Aan de monding van de Vecht kreeg de bisschop van Utrecht in 953 het tolrecht op handelsroute over de Vecht. Van een vissersplaats ontwikkelde Muiden zich tot stad. Het Muiderslot (1280) bewaakte de monding van de rivier, maar omdat de handel zich naar Amsterdam verplaatste, stagneerde de groei. Tijdens de tachtigjarige oorlog kreeg de stad zijn omwalling, rond 1850 vernieuwd voor de Nieuwe Hollandse Waterlinie. De stad kreeg een belangrijke impuls met aanleg van de ‘Grote Sluizen’ (1674) en de vestiging van scheepswerven en zoutziederijen; in 1703 werd de kruitfabriek gesticht.

Met de zeesluis is de stad duidelijk op zee gericht. Buiten de sluizen ligt de stad hoog boven water om overstromingen te voorkomen. Langs de Vecht ligt de bruine vloot. Aan de overkant scheepshellingen en een belangrijke jachthaven. Voorbij Muiden passeert de rivier het Muiderslot. Tussen twee lange strekdammen door eindigt de Vecht hier in wat nu het IJmeer heet.

vroege bewoning

Vroege bewoning

Rond het begin van onze jaartelling had de stroomrug van het Vecht-Angstel riviersysteem ongeveer zijn huidige loop gekregen. In de daaropvolgende 20 eeuwen is het ‘natuurlandschap’ dat de eerste bewoners aantroffen door menselijke activiteit veranderd in het huidige cultuurlandschap (zie ook: Eerste bewoning).

Te midden van het veenmoeras waren de stevige, zanderige, hoge stroomruggen van Vecht, Aa en Angstel als eerste geschikt om door de mens bewoond te worden. Al in de IJzertijd (800 – 0 v.Chr.) was er sprake van verspreide bewoning op de oeverwallen. De vroegste sporen daarvan vinden we in de Aetsveldsche polder en in de Breukelerwaard, waar in 2002 meer dan duizend aardewerkfragmenten zijn gevonden uit de periode 800-500 v.Chr.

Bij het begin van de jaartelling gebruikten de Romeinen de Vecht om naar hun fort bij Velsen in de monding van het Oer-IJ te varen. Na mislukte pogingen om de Friezen in te lijven trokken zij zich terug achter de Limes, de Kromme en Oude Rijn, als noordgrens van het Romeinse Rijk. Van een nederzetting langs de Vecht kwam het niet.

Nederzettingen op het ‘oude land’

In de eeuwen daarna namen boeren geleidelijk aan de oeverwallen in gebruik voor akkerbouw en veeteelt, vooral rond Zuilen, Maarssen, Breukelen en Oud Aa, waar de oeverwallen breed zijn. De komgronden achter de rivier werden gebruikt voor het weiden van vee. Aan het onregelmatige verkavelingspatroon op de oeverwallen en komgronden is nog altijd af te lezen dat het ‘oude land’ in cultuur was gebracht.

Naarmate de bevolking op de oeverwal toenam, ontstonden gedurende de 8e tot 10e eeuw ook nederzettingen, meestal bij splitsingen in de rivier, of waar een veenstroom uitmondde in de Vecht, zoals Zuilen (Zwesen), Maarssen (Marsna), Loenen (Lona) en het later verdwenen Dorssen, iets ten noorden van Vreeland. Bij Breukelen (Attigahem), bij de splitsing van de Vecht en de Aa, stichtte Bonifatius in 721 de Pieterskerk. Daarmee begon de kerstening van de Vechtstreek.

Op dergelijke locaties werden later de kastelen gevestigd, waardoor de dorpen zich verder rond het kasteel konden ontwikkelen. Zoals kasteel Loenersloot dat is gevestigd waar de inmiddels verzandde Loenerlaak uitmondde in de Angstel.

Ontginning – omkering van het landschap

Door het hele jaar heen zijn de plassen flink in trek bij de recreanten. Niet op alle plassen mag er gerecreëerd worden. Verschillende plassen, zoals de Botshol, zijn in het broedseizoen gesloten. Op de Loenderveense Plas wordt niet gerecrëerd in verband met het gebruik van het water van deze plas voor drinkwater voor Amsterdam.

De plassen hebben een goede visstand en zijn geliefd bij de sportvisser. Door de mindere voedselrijkdom is de visstand van de Vinkeveense Plassen kleiner dan in de andere plassen, Er leven grotere exemplaren van snoek, baars en snoekbaars en dat trekt veel vissers. In de ondiepe plassen vinden we veel brasem, blankvoorn en karper. Overal langs de plassen kunnen visbootjes worden gehuurd.

Tegen het einde van de 10de eeuw verbeterde het klimaat, nam de bevolking toe en groeiden de steden – en daarmee de behoefte aan voedsel en dus aan nieuwe landbouwgrond. Met het ‘oude land’ als ontginningsbasis zette dat het proces in beweging van ontginning van de grote Hollands-Utrechtse veenwildernis: de Grote Ontginning (zie ook: Grote Ontginning) van het uitgestrekte veenmoeras tussen de Heuvelrug in het oosten en de Kennemerduinen in het westen. 

Om het veen geschikt te maken voor landbouw moest het worden ontwaterd door het graven van sloten.  Als gevolg van ontwatering, vertering, uitdroging, inklinking en agrarisch gebruik daalde het maaiveld in de ontgonnen gronden. Door dit proces van bodemdaling trad omkering van het landschap op en kwam de rivier met zijn oeverwallen steeds hoger boven het landschap te liggen, in het landschap herkenbaar als stroomrug. Al vrij snel na de ontginning werd akkerbouw steeds moeilijker en uiteindelijk niet meer mogelijk en kon het land alleen als weide worden gebruikt (zie ook: Agrarisch gebruik 1000-1500).

Waterkering - dijk

Bodemdaling en de omkering van het landschap had tot gevolg dat de ontgonnen landen niet langer op een natuurlijke manier hun overtollige water op de Vecht konden lozen. Om het land droog te houden werden vanaf de 15e eeuw poldermolens ingezet en later gemalen en sluizen voor de verbinding tussen rivier en achterland. Ook moesten de natuurlijke rivierdijken, die als waterkering het lagergelegen land beschermden tegen overstroming worden versterkt en verhoogd om te voorkomen dat het land zou overstromen.

Natuurlandschap wordt cultuurlandschap

De oeverwallen vormden, door hun ligging boven het peil van de rivier en hun samenstelling van zand en klei, de natuurlijke ondergrond voor het ontstaan van dorpen en voor de aanleg van wegen en de bouw van boerderijen en van buitenplaatsen met hun parkbossen. Ze zijn nu zo intensief bebouwd dat de oeverwal vaak niet meer als zodanig in het landschap is te herkennen, vooral in de dorpen.

Dorpen

De Vechtstreek kent ‘Veendorpen’ en ‘Vechtdorpen’. Waar de Vechtdorpen allemaal op de oeverwal liggen, liggen de veendorpen allemaal in het veen. De veendorpen, zoals Tienhoven, Breukeleveen, Loosdrecht, Kortenhoef, Demmerik, Kockengen en Waverveen, zijn allemaal tijdens de ontginning van het grote veenmoeras ontstaan als lintdorpen uit de hoeves die langs de ontginningsas werden gebouwd (zie ook: Grote Ontginning). Zij liggen dan ook allemaal in het veengebied, of wat daarvan over is na de vervening. Zoals bij Breukeleveen, maar vooral bij Muyeveld (Nieuw Loosdrecht), waar het veen zo goed helemaal door turfwinning is verdwenen; met grote armoede tot gevolg. Tot de plassen werden ontdekt voor de watersport en de dijk een geliefde plek werd voor (weekend-)villa’s. Ook van de lintdorpen Tienhoven en Waverveen , eens welvarende veendorpen, raakten door voortgaande vervening en opdringend water steeds meer geïsoleerd en verpauperden. de ‘redding’ kwam voor Tienhoven en Waverveen door de inpoldering van resp. de Bethunepolder (1874) en de polder Groot Mijdrecht (1880).

Daarentegen liggen de ‘Vechtdorpen’ allemaal op de oeverwal en zijn ontstaan waar een zijrivier in de Vecht stroomde, of de rivier splitste. De aanwezigheid van het kasteel heeft bij dorpen als Oud Zuilen, Vreeland en Loenersloot een belangrijke rol gespeeld in hun ontwikkeling. De door Bonifatius gestichte Pieterskerk was een belangrijke factor in de ontwikkeling van Breukelen tot een dorp met een regionale functie rond de kaasmarkt. Voor Breukelen lijkt de ligging aan de Vecht nauwelijks een rol te hebben gespeeld: Breukelen ligt ‘met zijn rug’ naar de Vecht. Dit in tegenstelling tot Maarssen dat als dorp juist op de Vecht is gericht en dat met drie grachten laat zien: de Herengracht, de Schippersgracht en de Langegracht.

Verder speelden buitenplaatsen een hoofdrol: Nieuw-Maarsseveen, op de oostoever, telde rond 1700 ruim 40 buitens, op de westoever en in Maarssen stonde zeker nog 20 buitens. Loenen ontstond bij de splitsing van de Vecht en de Loenerlaak, die voor hij in de 12 eeuw dichtslibde, de Vecht bij Loenersloot met de Angstel verbond. De vele buitenplaatsen en het tolereren van een katholieke schuilkerk en de korenmolen de Hoop, waar men om te laden en lossen met de praam in kon varen, hebben bijgedragen aan de ontwikkeling van het dorp.

Nieuwersluis ontstond rond de sluis in de Nieuwe Wetering die in 1448 was gegraven tussen de Vecht en de Angstel om de vaarverbinding tussen Utrecht en Amsterdam te verbeteren. Door het graven van de Reevaart was Nigtevecht geïsoleerd komen te liggen voor de scheepvaart op de Vecht en had vooral een agrarische functie. Dat zien we erin terug dat de huizen van Nigtevecht, net als in Breukelen, met hun rug naar de Vecht liggen. De vestingstad Weesp lag benedenstrooms van de Hinderdam en daarmee onder invloed van de Zuiderzee en had, via de Smal Weesp en de Gaasp een binnendoor vaarverbinding met Amsterdam. Die werd gebruikt om schoon Vechtwater als drinkwater naar Amsterdam te brengen. Datzelfde water was essentieel voor het stoken van jenever en het brouwen van bier.

Aan de monding van de Vecht in de Zuiderzee ontwikkelde Muiden zich rond het Muiderslot als Zuiderzeedorp met een haven. Ondanks Utrechts verzet kreeg Muiden in het Rampjaar 1672 eindelijk een zeesluis. Deze bleek onvoldoende om overstromingen van de Vecht tegen te gaan, zodat eindelijk in 1930 de grote zeesluis werd gebouwd – die in 1932 alweer overbodig werd toen de Afsluitdijk gereed kwam. 

Straatweg - Zandpad

De Vecht heeft een weg aan iedere kant: de ene strak langs de rivier, de andere slingerend, vaak op enige afstand van de rivier (zie ook: Vervoerslint). Dit verschil weerspiegelt de oorspronkelijke functie en hoe gebruik gemaakt werd van het landschap. Op de westoever ontstonden paden over de hoge en droge kruin van de Vechtdijk, paden die de dorpskernen met elkaar verbonden. Zo ontstond vanaf de 12e eeuw de Kleiweg of Heerenweg, die in 1531 als Heerenwagenweg werd opgenomen in het provinciale netwerk van herenwegen en veelal ter weerszijde met bomen werd beplant. Omdat de weg de kruin van de meanderende Vechtdijk volgde, liep de weg deels direct langs de Vecht, maar was elders door een oeverland van de Vecht gescheiden.

De Heerenwagenweg, die nog steeds niet verhard was, kreeg in de 18e eeuw ook de functie Postweg. Verharding kreeg de weg pas nadat Napoleon in 1811 bepaalde dat de Kleiweg, als Route Impériale No. 2, als Keizerlijke hoofdweg van Amsterdam naar Parijs verbreed en bestraat moest worden, dat was al in 1813 gerealiseerd. De (Amsterdamse-) Rijksstraatweg behield deze functie tot de openstelling, in 1954, van de rijksweg A2.

Ook op de oostoever ontstonden paden over de kruin van de Vechtdijk. Alleen waar ze direct langs de rivier lagen, waren ze geschikt om een schuit te trekken. Wanneer begin 16e eeuw de trekvaart op gang komt, wordt speciaal daarvoor een jaagpad aangelegd, het smalle pad waar het paard – en soms de mens – over liep om de trekschuit voort te trekken. Het pad loopt natuurlijk zo dicht mogelijk langs de oever, waar nodig deels over de oever van een oeverlandje. Dit pad werd steeds goed met zand bijgehouden: het Zandpad.

Oeverlanden

Slingerend door het laagland vormt de rivier van nature meanders. In de buitenbocht, waar het water het sterkste stroomt, schuurt de rivier de bocht uit waardoor deze steeds ruimer wordt; in de binnenbocht, waar de stroom het zwakste is, wordt dit sediment weer afgezet. Daar, tussen de rivier en de oeverwal zijn buitendijkse uiterwaarden of oeverlanden ontstaan, die alleen nog ’s winters of bij heel hoog water onderliepen. Sommige zijn groot en soms bedijkt, andere juist weer heel klein, drassig en met natuurlijke oever. We vinden ze overal langs de Vecht en ook langs de Angstel en het Gein. De grotere zijn soms gebruikt voor de aanleg van buitenplaatsen, zoals de ‘Gouden Bocht’ in Maarssen en de ‘Mennistenhemel’ tussen Breukelen en Nieuwersluis en verderop, tot aan Loenen.

De kleinere oeverlanden, vooral langs de Boerenvecht, zijn vaak in gebruik genomen om er een schuurtje op te bouwen of een (woon)boot aan te leggen. Hierdoor is de landschappelijke waarde sterk teruggelopen. In het kader van het Restauratieplan Vecht zijn de laatste jaren pogingen ondernomen om deze oeverlandjes te herstellen en zo het landschappelijk karakter en de natuurwaarden te vergroten, o.a. door de uitkoop of het verplaatsen van woonschepen.

Bijzonder fraaie oeverlandjes vinden we langs de kleine veenriviertjes, zoals het Gein, de Oude Waver en de Holendrecht. Het zijn rietlandjes met een rijke begroeiing van dotterbloemen en hier en daar rietorchissen.

Een bijzonder vorm van oeverlandjes zijn die landjes waar de natuurlijke oever is vervangen door het jaagpad. Die ‘jaagpaddijk’ vormde in geval van hoogwater een bescherming tegen overstromen en maakte – zoals de ‘Goude bocht van Maarssen’ laat zien – de buitendijkse ontwikkeling van buitenplaatsen mogelijk.

Buitenplaatsen

De Vechtstreek is vermaard om zijn buitenplaatsen en die staan bijna allemaal op de oeverwal. De stevige ondergrond van de oeverwal was uitermate geschikt voor de ontwikkeling van een buitenplaats met zijn bijgebouwen, tuinen en parkbossen (zie ook: Buitenplaatsen). Hoe die buitenplaats eruit zou zien, werd – naast bereikbaarheid en sociale factoren - mede bepaald door de ligging en de breedte van de oeverwal. Langs de zuidelijke Vecht, waar de oeverwal relatief breed en de bodem vruchtbaar was, vinden we vooral de grote klassieke buitenplaatsen met hun tuinen en parkbossen. Daarom spreken wij daar over de ‘Herenvecht’.

Langs de noordelijke Vecht, de ‘Boerenvecht’ en langs de Angstel en het Gein, waar de oeverwal smal en laag was, treffen we een veel meer wijds en open landschap met boerderijen; hier vinden we ‘hofstedes’, verschillende vormen van buitenplaatsen met een gecombineerde agrarische functie.

Recent onderzoek laat zien dat veel meer mensen zich een ‘buiten’ konden veroorloven en dat veel boerderijen in bezit waren van ‘stedeling-boeren op de buitenplaats’ die hun hofstede hadden voorzien van speciale voorzieningen voor het gebruik door de eigenaar uit de stad. Tenminste 20 van de boerderijen langs het Gein hadden de functie buitenplaats; langs de Angstel waren dat er minstens 35.

Ensemble

Een wezenlijk kenmerk van buitenplaatsen is het ensemble, het geheel van huis met bijgebouwen, tuin, park en landerijen. Naast beschikbaar vermogen bepaalden locatie, bereikbaarheid en de actuele mode hoe het ensemble werd vormgegeven. Bij recessie sneuvelden de speelhuisjes en siertuinen het eerst, bij voorbeeld om plaats te maken voor een tuinaanleg in Engelse landschapsstijl.

Zien en gezien worden

Wie een buitenplaats bezat, wilde dat ook graag laten zien. Natuurlijk allereerst met zijn huis, bij voorkeur gebouwd door een jong, veelbelovend architect (zoals Jacob van Campen of Philips Vingboons) met de façade gericht op de rivier, maar ook met zijn tuinaanleg en zijn park. Daarnaast was er de theekoepel, waar men zijn gasten kon ontvangen – en laten zien wie te gast was – ondertussen genietend van het spelevaren op de Vecht. Op de oever staat ook het botenhuis voor je eigen jacht of sloep. Vanzelfsprekend had ieder buiten zijn eigen aanlegsteiger of waterstoep die op velerlei manier kon worden verfraaid. En tenslotte het toegangshek, gemaakt uit het fraaiste smeedwerk (denk aan het hek van Vreedenhoff), of een simpel getimmerte.

Daarnaast de landerijen met de levende have, het gevogelte in de volière, de paarden in de stal en het vee op het land. Naast meestal ook een nutsfunctie, speelden ze allemaal een rol in de beleving van het buitenleven.