Vervoerslint
Vecht
De Vecht was tot diep in de 19de eeuw een belangrijke verkeersader. De Romeinen gebruikten de rivier al rond het begin van onze jaartelling; later de Noormannen voor hun strooptochten. In de Middeleeuwen, tijdens de hoogtijdagen van Dorestad, was de Vecht de handelsroute tussen de Oostzeelanden en het Rijnland: de Keulse Vaart.
In 1626 werd een jaagpad direct langs het water aangelegd om de trekvaart te vergemakkelijken.
Wegen
Spoorlijn en Merwedekanaalkanaal
Pas vanaf de jaren '70 was er weer een toename van vaarverkeer over de Vecht, maar nu van recreanten.
Het kanaal werd gegraven tussen de dorpen en de spoorweg.
De stations werden door de aanleg van het kanaal dus veel moeilijker toegankelijk. Er werden pontjes ingezet om passagiers over te steken en er werden bruggen over het kanaal aangelegd. Bij Nieuwersluis is nog steeds een fietspontje in de vaart.
De stations Vreeland en Loenen-Nieuwersluis werden in 1953 gesloten. Maarssen en Breukelen hebben nog wel een eigen station.
A2
In 1954 werd de eerste rijbaan van de A2 geopend. Al snel bleek deze snelweg zo druk te worden, dat verbreding noodzakelijk was. In 2011 heeft de laatste verbreding plaatsgevonden. De A2 is nu 10 rijstroken breed en files zijn vrijwel verleden tijd. Via de afslagen Maarssen, Breukelen of Hilversum bereikt men de Vecht.
- Vijf transportwegen parallel aan elkaar:
- - Vecht
- - Weg langs de river
- - Amsterdam-Rijnkanaal
- - Spoorlijn
- - A2
De langzame Vecht
Het lijkt zo vanzelfsprekend: het unieke, in de loop der eeuwen ontstane kleinschalige cultuurlandschap van de Vecht, met zijn afwisseling van dorpen, buitenplaatsen, kastelen en boerderijen, die als een ongestoorde landschappelijke structuur van noord naar zuid door de Vechtstreek loopt en de eeuwen heeft doorstaan. Maar het was lang niet altijd even vanzelfsprekend dat dit zo zou blijven. In tegendeel: om als internationale handelsroute te kunnen blijven functioneren zouden ingrijpende infrastructurele maatregelen onvermijdelijk zijn: de Vecht zou verdiept en verbreed moeten worden – ook in de dorpen – en bochten worden afgesneden. Ondanks grote weerstand van lokale bestuurders, die vreesden voor verlies van bedrijvigheid en armoede, is toch besloten tot de aanleg van een nieuw, vrij liggend kanaal: het Merwedekanaal. Dat de Vecht niet werd gekanaliseerd, heeft tot gevolg gehad dat het Vechtlandschap zijn unieke kleinschalige karakter heeft behouden. Deze sterke verwevenheid van functies (wonen, werken en recreatie) die zich aan de rivier vestigden is door de tijd bewaard gebleven; net als de oriëntatie van de wegen, dorpen en buitenplaatsen op de Vecht en de doorzichten naar het achterland: de ‘Langzame Vecht’.
Over de rivier
De infrastructuur van de Vechtstreek speelt sinds jaar en dag een belangrijke rol in de noord-zuid verbinding in ons land. Het begon met de Romeinen die de Vecht gebruikten voor hun verkenningstochten naar het noorden. Later volgden de Noormannen, die tegelijk met hun strooptochten ook handel dreven tussen Scandinavië en de Duitse landen. Voor de Vecht begint daarmee de rol als internationale handelsroute tussen noord en zuid, die de rivier tot diep in de negentiende eeuw zou blijven vervullen. Nadat de bisschop van Utrecht in 953 de wereldlijke macht had gekregen over de woeste gronden ter weerszijde van de Vecht, inclusief het tolrecht in Muiden, ontwikkelde de bisschopsstad zich tot een belangrijke handelsstad. De Vecht speelde daarbij een steeds belangrijker rol, zowel voor het regionale en lokale verkeer, als voor de handel tussen de Oostzee en de Rijnlanden, de zg. ‘Keulse Vaart’.
Over land
De Vecht heeft aan iedere kant een weg: de ene strak langs de rivier, de andere slingerend, vaak op enige afstand van de rivier. Dit verschil weerspiegelt de oorspronkelijke functie: het smalle jaagpad om de trekschuit voort te trekken, liep natuurlijk zo dicht mogelijk langs de oever; het tracé van de Heerenweg, die vanouds de dorpskernen met elkaar verbond, volgde daarentegen de kruin van de Vechtdijk (vandaar: Kleyweg), en werd soms door een oeverland van de Vecht gescheiden. De Kleyweg, ook wel Heerenwagenweg maakte vanaf de middeleeuwen deel uit van een stelsel van wegen voor interlokaal verkeer dat pas in de 19e eeuw werd verhard.
Trekvaart - jaagpad
Een goede vaarverbinding over de Vecht was voor Utrecht van groot belang, zeker omdat de stad ook wilde profiteren van de opkomende welvaart in Holland. Voor de opkomende trekvaart, die de scheepvaart minder afhankelijk van wind maakte, werd daarom rond 1600 begonnen met de aanleg van een jaagpad. Het smalle pad waar het paard – en soms de mens – over liep om de trekschuit voort te trekken, liep natuurlijk zo dicht mogelijk langs de oever. Eerst langs de oostoever tot Breukelen. Dat pad werd in 1628 doorgetrokken tot Nieuwersluis en verder over de westoever naar Vreeland en vandaar via de in 1630 gegraven Reevaart, verder richting Weesp en Muiden. In 1636 was een doorgaand jaagpad tussen Utrecht en Amsterdam gereed, dat bij Nieuwersluis de Nieuwe Wetering nam naar de Angstel en dan verder via Abcoude en Ouderkerk. Aangelegd als pad voor het jagen van schuiten en als voetpad - en oorspronkelijk verboden voor rijtuigen (die naar de Heerenweg op de westoever werden verwezen) – is het pad sinds midden vorige eeuw niet meer als zodanig in gebruik en inmiddels grotendeels ‘opgeslokt’ door verbreding van het naastgelegen Zandpad. Het Zandpad ontleent zijn naam aan het zand waarmee het pad moest worden onderhouden.
Heerenweg
Gelijk met de eerste bewoning ontstond op de oeverwallen een netwerk van paden, dat met het groeien van de bevolking en de economie in betekenis toenam. De ontginningen, die rond het jaar 1000 op gang kwamen, leverden voedsel voor de stad en dat leidde tot groei van het verkeer over land en over water en de bijbehorende infrastructuur. Door de bedijking van de oeverwal (meestal met klei) ontstond vanaf de 12e eeuw een doorgaande weg: de Kleiweg; vanwege de interlokale functie ook wel de Heerenweg genaamd. Deze werd in 1531 als Heerenwagenweg opgenomen in het provinciale netwerk van herenwegen. Het was deze weg die op last van Napoleon werd verbreed en bestraat en als Route Impériale No. 2 de Keizerlijke hoofdweg van Amsterdam naar Parijs zou worden. Deze (Amsterdamse-) Rijksstraatweg kwam in 1813 gereed en behield deze functie tot de openstelling, in 1954, van de rijksweg A2.
Keulse Vaart
De positie van Utrecht als internationale handelsstad werd gedurende de 15e en 16e eeuw overgenomen door Amsterdam. Beide steden hadden belang bij een goede bereikbaarheid over water; de Vecht bleef daarbij voor de internationale handel op de Rijnlanden onverminderd van belang. Na hoogtij in de Gouden Eeuw en verval in de 18e eeuw begon in de 19e eeuw wederopbouw met grote infrastructurele projecten, zoals net Noordhollandsch kanaal (1824) en Noordzeekanaal (1876). Voor Amsterdam, dat van Napoleon het alleenrecht op de Rijnvaart had gekregen, was een goede infrastructuur naar het Duitse achterland en het Ruhrgebied essentieel. Aan die eis kon de Vecht steeds minder voldoen.
De Amsterdamse ‘Keulse Vaart’, die toch al last had van de vele bochten en bruggen in de smalle Vecht, kreeg in 1843 een gevoelige slag door de aanleg van de Rhijnspoorweg Amsterdam-Utrecht-Arnhem. De schuiten konden door de stoomsleepvaart weliswaar groter worden, maar de Vecht bleef te smal en ondiep. Uiteindelijk viel in 1884 het besluit om de Vecht niet te verbreden maar om geheel los van de Vecht, parallel aan het tracé van de Rhijnspoorweg, het Merwedekanaal te graven.
Snelle Vecht
Vanaf de 19e eeuw werden ten westen van de Vecht verschillende moderne infrastructuur-verbindingen tussen Utrecht en Amsterdam gerealiseerd: een corridor van straatweg, spoor, kanaal, snelweg hoogspanningsleiding en de ondergrondse watertransportleiding. Parallel aan de ‘langzame Vecht’ ontstond zo de ‘snelle Vecht’: een grote infrastructuurbundel met een hoge ruimtelijke dynamiek die een goed herkenbaar en leesbaar landschap oplevert. Het grootschalige moderne landschap dat hierdoor is ontstaan doorkruist het oude, karakteristieke veenweidelandschap van noord naar zuid en vormt een oost-west barrière.
De ruimtelijke ontwikkelingen die rondom de moderne infrastructuur optreden, zoals de vestiging van industrie en de vorming van woon- en werkgebieden, hebben grote effecten op het landschap en zetten de open gebieden rondom de corridor onder druk.
De IJzeren eeuw: spoor en Merwedekanaal
De aanleg, in 1843, van de Rhijnspoorweg Amsterdam-Utrecht-Arnhem was al een voorruitgang voor de Amsterdamse handelsvaart op de Rijnlanden. Maar de concurrentie van de Rotterdams-Duitse riviervaart vroeg om meer, zeker na de aanleg van het Noordzeekanaal (1876). Dat antwoord werd gevonden door tussen Nigtevecht en Utrecht een heel nieuw kanaal te graven tussen spoor en Vecht: het Merwedekanaal.
De rechte lijn die het spoor door de veenweiden trok was zeker opmerkelijk, maar landschappelijk was de impact beperkt. Heel anders was dat met het tussen Vecht en spoor aangelegde 20 m brede Merwedekanaal, dat met zijn forse dijken, sluizen en bruggen heel aanwezig was – en bovendien een serieuze oost-west barrière vormde, die vele boerderijen in tweeën sneed en Nieuwer ter Aa scheidde van Breukelen. Al snel trok het kanaal ook industrieën aan en vervolgens woonwijken, vooral tussen Maarssen en Utrecht en bij Weesp.
Het 20 meter brede Merwedekanaal bleek al snel te smal en kon de groei van de scheepvaart niet aan. Na verbreding en verlenging tot Tiel (1952) en na verdere verbreding (1981) tot ruim 100 meter is het dan Amsterdam-Rijnkanaal, met ruim 100.000 schepen/jaar een van de drukst bevaren kanalen ter wereld. Met zijn strakke beplanting met bomen en markante bruggen vormt het kanaal een sterke lijn in het landschap, maar samen met het spoor ook een serieus obstakel in de oost-west verbinding voor mens en dier. Het kanaal fungeert ook als boezemwater.
De A2
Het is nauwelijks meer voor te stellen dat tot begin 20e eeuw het overgrote deel van het vervoer nog over water ging, zeker in west-Nederland. In de jaren ‘20 was duidelijk dat Napoleon’s Rijksstraatweg niet langer voldoende was als hoofdverbinding van Amsterdam naar Utrecht. Het tracé werd al in 1929 vastgesteld, maar door recessie en oorlog duurde het tot 1954 voor de rijksweg A2 die rol kon overnemen, met 2 x 2 rijbanen.
De aanleg bleek een complexe zaak vanwege de onstabiele ondergrond die het zompige veenlandschap waarover de weg zou lopen, vormde. Om de ondergrond te verstevigen werd de hele veenlaag van het tracé afgegraven tot aan de Pleistocene zandgrond. Het gat dat zo ontstond –een cunet geheten- vulde zich met grondwater en vormde zodoende een kanaal. Dit werd opgevuld met zand dat voor een groot deel uit de Vinkeveense plassen kwam. Dit zand werd met schepen ingevaren die op de terugweg het uitgegraven veen meevoerden naar de plassen, waar het werd gedumpt om later weer door de plaatselijke ontveners te kunnen worden opgebaggerd. Het overige zand kwam uit het Noordzeekanaal en uit een zandput in het Waterschap De Lage Weide. In 1952 werd één 2-baans rijstrook van de A2 tussen Amsterdam en Utrecht opgeleverd. Het tweede volgde in 1954. Het verkeer en daarmee de filevorming nam dusdanig toe, dat de regering eind jaren ‘90 besloot de weg tot een 10-baans snelweg te verbreden. Deze werkzaamheden zijn medio 2012 geheel afgerond.
Het gereedkomen van de A2 betekende - op zelfde manier als de aanleg van spoor en kanaal dat eerder deden – een enorme ontlasting van de lokale infrastructuur, waarmee de Vecht definitief tot ‘achterlint’ van de corridor werd en daarmee de kans kreeg om een recreatielandschap te worden, met de oude snelheid en grandeur.
Hoogspanningsnet
Hoogspanningsnet
Eind 19e eeuw kwam de opwekking van elektriciteit op gang. Veelal als particulier initiatief en op lokaal niveau. Aanvankelijk alleen voor verlichting, pas later ook voor kracht en tractie.
De eerste centrales werden rond 1900 geopend. Het transport naar de gebruikers ging eerst bovengronds, later ontstond een ondergronds netwerk.
In het westelijk veenweidelandschap zijn, tussen Diemen en Breukelen-Kortrijk, parallel aan de snelweg, twee naast elkaar gelegen hoogspanningsverbindingen ontstaan: de uit 1952 stammende 150 kV verbinding, met en masthoogte van 33 m en de uit 1969 stammende 380 kV verbinding met een masthoogte van 48 m. De schaal van het snelwegpanorama dat hierdoor is ontstaan past bij de weidsheid van het landschap.
Ondergrondse corrridor
Onzichtbaar, op veilige diepte onder de grond, lopen sinds 1957 twee betonnen leidingen die bij Jutphaas water uit de Lek innemen om dat ruim 50 km verderop in de Noord-Hollandse duinen te laten infiltreren. Dit grootscheepse ondergrondse watertransport was en is nodig om de verdroging en verzilting van het duingebied tegen te gaan, die het gevolg ervan is dat eerst Amsterdam, later gevolgd door steden als Haarlem, Alkmaar en Zaandam, steeds meer water uit de duinen als drinkwater zijn gaan gebruiken. Deze leidingen – wezenlijk, maar onzichtbaar onderdeel van de corridor - lopen van Jutphaas tot voorbij Breukelen parallel aan de A2, daar buigt de ene naar het westen af om het water via Mijdrecht, Aalsmeer bij Vogelzang naar de Amsterdamse Waterleidingduinen te brengen; de andere volgt de A2 tot Abcoude en dan de A9 via Amstelveen, Badhoevedorp, Beverwijk naar het Noordhollands duinreservaat.