ontstaan vechtlandschapeerste bewoningagrarisch bedrijf 1000-1500grote ontginningmachtsstrijd utrecht-hollandkasteleneconomie 1350-1575waterhuishoudingverveningagrarisch bedrijf 1500-1660economie 1575-1850droogmakerijenbuitenplaatsenagrarisch bedrijf 1660-1760agrarisch bedrijf 1760-1870industrialisatieagrarisch bedrijf 1870-1940agrarisch bedrijf 1945-hedencultuur & recreatiewaterhuishouding
inleiding
meer weten
Ontstaan Vechtlandschap
-  Het landschap van de Vechtstreek is grotendeels gevormd in de laatste
   10.000 jaar.
-  De eerste 9000 jaar werd het landschap door natuurlijke
   processen gevormd
   de laatste 1000 jaar speelt de mens een belangrijke rol in dit proces.
-  8000 jaar geleden ontwikkelt zich in een dynamisch proces een
   kustbarriere, de lagune erachter gaat langzaam over in een
   zoetwatergebied, hierin wordt door de moerasplanten veen afgezet
-  3000 jaar geleden wordt de Vecht een belangrijke tak van de Rijn.
-  Sedimenten vormen een
oeverwal
oeverwal; De eerste strook grond langs de rivier die hoger ligt dan de omgeving. De oeverwal bestaat uit zand en klei en is daar neergelegd door de rivier in de periode dat deze een tak van de Rijn vormde.
, met daarachter afzettingen van
   fijne klei
-  2000 jaar geleden ontstaat de Zuiderzee en veroorzaakt 
   overstromingen, de Vechtstreek krijgt hier ook mee te maken

De ontstaansgeschiedenis van de Vechtstreek, ontstaan op de grens van land en water, is dynamisch.

Broekbos

Voor geologische begrippen is het landschap jong: amper 10.000 jaar.

De vroege mens trof een uitgestrekt veenmoeraslandschap aan met licht glooiende veenkoepels en met broekbossen in de lagere, drassige delen. De oeverwallen van Vecht en Angstel waren dicht bebost.

Het klimaat verandert, water komt vrij
Aan het einde van de laatste ijstijd, zo’n 10.700 jaar geleden, lag de Noordzee droog en was de Vechtstreek een toendra, met zandduinen. Doordat het warmer werd, smolten wereldwijd de ijskappen en steeg het zeeniveau. Rijn, Maas en Schelde voerden met het smeltwater grote hoeveelheden sediment naar zee. Daaruit ontstond de Nederlandse Delta, waar de Vechtstreek deel van uitmaakt.

Vorming kustbarrière
De kustlijn kwam door de stijging van het zeeniveau steeds dichterbij. 8.000 jaar geleden nam het tempo van de zeespiegelstijging af. In een dynamisch evenwicht tussen sedimentaanvoer en zeespiegelstijging kon de kustlijn zich stabiliseren. Zandbanken voor de Hollands-Zeeuwse kust groeiden uit tot eilanden met daarachter wadden, landinwaarts overgaand in slikken en kwelders. Doordat het grondwater steeg, ontstonden in het westen uitgebreide veengebieden.
8.000 jaar geleden vormden zich eilanden voor de kust. In het westen ontstonden  veengebieden door stijgend grondwaterPaleogeografische reconstructie 50 na Chr.

 

Lagune
Deze open eilandenkust veranderde zo’n 5.000 – 6.000 jaar geleden in een gesloten kust met slechts een enkele opening voor een rivier. Achter de duinenrij ontstond een enorme lagune die zich uitstrekte van Zeeland tot in Noord-Duitsland. In het warme en vochtige zeeklimaat heersten ideale omstandigheden voor grootschalige veenvorming, die enkele duizenden jaren min of meer ongestoord kon doorgaan.

Vechtlandschap
Loenderveense plas
De Rijn brak 3.000 jaar geleden bij Utrecht uit zijn oevers. Het Vechtlandschap bestond toen uit een ca 6 km breed dal met meren en veenriviertjes te midden van twee grote veen- mosveengebieden: in het oosten, tegen de Heuvelrug, een langgerekte veenrug en westelijk de veenkoepel van de Ronde Venen. Ten zuiden daarvan lag een grote veenvlakte die zich uitstrekte tot aan de Oude Rijn.

moerasbosOeverwallen
Vecht en Angstel werden door de doorbraak bij Utrecht de noordelijkste Rijntak die zijn water via het Oer-IJ op zee loosde. Met het door de Rijn  aangevoerde slib, werden de meren één voor één opgevuld en bouwde de rivier zijn oeverwallen op. In het zuiden nog breed en hoog; verder noordwaarts steeds smaller en lager.
 

Zuiderzee
In de Romeinse tijd verlegde de Vecht zijn loop naar het oosten om bij Muiden uit te monden in het Flevomeer. Dat meer lag in het uitgestrekte veengebied dat later, door wind en golfslag, zou uitgroeien tot het Almere – en nog later tot de Zuiderzee.
Naarmate de Zuiderzee groter werd, kregen wind en getijdewerking steeds meer vrij spel en nam de invloed op de Vechtstreek toe. We vinden dat terug in de zeeklei die tijdens stormvloeden in de 12de en 13de eeuw op het veen van de noordelijke Vechtstreek is afgezet.

 

Ontstaan Vechtlandschap






Het landschap van de Vechtstreek is afwisselend. De Vecht zelf, met zijn buitens, zware geboomte, boerderijen en dorpen en aan weerszijden de uitgebreide veenweiden, plassen en droogmakerijen. In het oosten wordt de Vechtstreek begrensd door de hoge zandgronden van het Gooi en de Heuvelrug; in het westen eindigt de Vechtstreek bij de diepe droogmakerijen van de Ronde Venen.

Dit cultuurlandschap is pas in de laatste 1.000 jaar ontstaan door het ingrijpen van de mens in de natuurlijke ondergrond.

Die ondergrond, het natuurlandschap, is jong. Het is pas in de laatste 10.000 jaar ontstaan. Na de laatste ijstijd werd het wereldwijd, warmer smolten de ijskappen en steeg het zeeniveau. Op de grens van zee en land, waar Rijn, Maas en Schelde hun sedimentrijke water naar zee brachten, ontstond de Nederlandse Delta, waar de Vechtstreek deel van uitmaakt.

 



De IJstijden (Pleistoceen)
Saalien (350.000 - 130.000)
De geschiedenis van de Vechtstreek begint eerder. Wij laten deze beginnen bij de voorlaatste ijstijd, het Saalien (350.000 - 130.000 jaar geleden). De noordelijke helft van Nederland was toen bedekt met een dikke laag landijs.In het Saalien lag Noord Nederland onder het ijs. Aan hun front duwden de gletsjers de bodem omhoog, waardoor de stuwwallen van de Utrechtse Heuvelrug het het Gooi ontstonden. Deze hoge zandgronden vormen nu de natuurlijke oostelijke begrenzing van de Vechtstreek en spelen een belangrijke rol in de waterhuishouding van het gebied.

Aan de voorkant van de stuwwal zijn door smeltwater dikke waaiervormige pakketten zand en grind afgezet. Deze fluvio-glaciale afzettingen, zg sandrs of spoelzandwaaiers vormen de geleidelijk naar het westen wegduikende ondergrond van de Vechtstreek.

In deze tijd zijn ook de keileem afzettingen in het noorden van ons land, met de bulten van Texel en Wieringen, deze gaan later een belangrijke rol spelen bij het vormen van de huidige kustlijn. Keileem is een mengsel van klei, leem, zand en zelfs grotere zwerfstenen dat werd gevormd aan de onderkant van de gletscher terwijl deze met een snelheid van ongeveer 100 meter per jaar stroomde en op zijn weg grond, zand en stenen uit de ondergrond meenam en tot keileem vermaalde. Na het terugtrekken van het ijs bleef een keileemlaag met een dikte van van enkele meters achter.


Gedurende het Eemien kwam de zee heel ver Nderland binnen. Op het landschap van de Vvecht heeft dit weinig invloed gehad.


Eemien (130.000-115.000)
In de daarop volgende warme periode, het Eemien interglaciaal (130.000-115.000 jaar geleden), werd Nederland ijsvrij en kwam het zeeniveau zelfs hoger te liggen dan nu. De zee kwam ver het land in, waardoor grote delen van Noord-Nederland overspoeld werden.

De oostelijke Rijntak, die het IJsseldal volgde, was gedurende het Eemien de actiefste Rijntak die grote hoeveelheden sediment afzette in het gebied van het huidige IJsselmeer en de kop van Noord-Holland. Ook in het Eemdal, dat zijn naam gaf aan deze periode.

Deze korte periode heeft in de Vechtstreek geen sporen nagelaten omdat het gebied door de stuwwallen van Gooi en Heuvelrug tegen de zee werd beschermd.



Weichselien (115.000- 11.000)
Net als tijdens het Saalien, was gedurende de laatste ijstijd, het Weichselien (115.000 - 11.000 jaar geleden) zo veel water opgeslagen in de poolkappen dat het zeeniveau over de hele wereld ruim 100 meter lager stond dan nu. Tot voorbij de Doggersbank lag de Noordzee droog en Engeland en het vasteland van Europa zaten aan elkaar vast. Het landijs bereikte ons niet tijdens deze laatste ijstijd, maar de gevolgen zijn wel zichtbaar in het landschap.

Onze streken zagen er toen afwisselend uit als een poolwoestijn of een toendra. Tijdens de koudere perioden hadden aanhoudende westenwinden in dit kale en dorre landschap vrij spel om grote hoeveelheden zand en stof onze kant uit te blazen. De fluvio-glaciale sandr afzettingen uit het Saalien werden bedekt met een dunne (1-2 m) laag fijn zand, de zg. dekzanden, die in "t Gooi nog zichtbaar zijn. Tegen het einde van de laatste ijstijd vormden deze dekzanden een geleidelijk naar het westen wegduikend golvend duinlandschap dat bij de Hollandse kust nu op ongeveer 20 m diepte ligt.
In de Vechtstreek bleven de hoogste duintoppen boven het veen uitsteken, zoals bij Nederhorst den Berg, Weesp en Muiderberg.

In de gematigde perioden was de toendra begroeid met een subarctische en subalpine flora en groeiden er struiken zoals dwergwilg en berk. In de "s zomers ontdooiende plasjes groeiden planten als krabbenscheer en kranswieren. Van deze flora leefden dieren zoals de mammoet, het reuzenhert en het oerrund.
In dit landschap heeft de eerste moderne mens gejaagd en geleefd. De oudste vondsten van bewerkt vuursteen duiden op een Neanderthaler kampement van circa 120.000 jaar oud (Corversbos, Hilversum). De kans is groot dat zij ook actief waren in wat wij nu de Vechtstreek noemen.


Flora-elementen die in de ijstijden hier groeiden en nu alleen in de bergen en op de toendrate vinden DE stevige blaadjes van deze dwergwilg vinden we in de afzettingen van het Weichselien.Toen in Nederland, nu in de bergen en de toendra.



Holoceen (11.700 – heden)
Het klimaat verandert en het water komt vrij. Het Holoceen begint ongeveer 11.700 jaar geleden, wanneer het over de hele wereld warmer wordt. Gedurende duizenden jaren smelten de gletsjers en komen de enorme hoeveelheden water vrij die in de poolkappen, op Groenland en de gletsjers van de Alpen waren opgeslagen, waardoor het zeeniveau met tientallen meters steeg. Met het smelt- en regenwater voerden de Rijn en de Maas ook grote hoeveelheden grind, zand en klei aan uit de Alpen, het Zwarte Woud, de Vogezen en de Eifel. Daarmee werd de Hollandse delta verder opgebouwd.

In Scandinavië drukten de kilometers dikke ijskappen de bodem door hun gewicht wel 200-250 meter naar beneden. Dat had tot gevolg dat in de zone aan de voorkant van de ijskappen – tot in onze omgeving - de bodem iets omhoog werd gedrukt. Omdat de Scandinavische bodem na het terugtrekken van de ijskappen weer terugveert, treedt bij ons weer bodemdaling op, tot 2 cm per eeuw, die nog steeds doorgaat.

In het begin van het Holoceen werd het klimaat warmer en droger. In het Noordzeegebied leefden mensen en dieren, zoals blijkt uit de stenen werktuigen van Neanderthalers en de fossiele beenderen van mammoeten, oerossen en andere ijstijddieren die regelmatig van de Noordzeebodem worden opgediept. Met het warmer worden van het klimaat werd de prairie-toendra vervangen door berken-  dennenbossen Dit begon al 13.000 jaar geleden. Toen het klimaat nog verder verbeterde werd het klimaat gunstig voor de hazealaar, eik en iep, daarna volgden es, linde en els. Ala laatste verschijnt de beuk. Op de lagere plaatsen ontstonden moerassen met veenvorming. Dit gebeurde vooral langs de westelijke rand van het gebied.  Naarmate het zeeniveau steeg, schoof de kust steeds verder landinwaarts. Door deze uitbreiding van de zee ten koste van het land (transgressie) moesten mens en dier zich steeds verder naar het oosten terugtrekken tot aan de hogere pleistocene gronden van o.a. de Utrechtse Heuvelrug en het Gooi. naarmate het klimaat verbeterde konden ook


Vorming kustbarrière
Bij het begin van de zeespiegelstijging ligt de kust 200 km naar het westen en is het zeeniveau 15 m lager dan nu. Het in de ijstijden afgezette zand ligt aan het oppervlak. Op deze naar het westen hellende vlakte groeien uitgestrekte berkenbossen. Bij de kustlijn vormen zich zandbanken en lage duinen. Daarachter ligt een beschermd waddenlandschap. Op de zandbanken groeit een zoutminnende flora met zeekraal, op de kwelders groeit een ruigere flora met zeeaster. Meer naar het oosten doet het zoete kwelwater dat van het pleistocene plateau naar het westen afstroomt zich gelden. Op de zandgronden ontstaan meertjes en ontwikkelen zich moerassen met riet en andere ruigtesoorten. Door de afstervende planten ontstond een veenlaag. Dit systeem schuift in de duizenden jaren steeds meer naar het westen. De veenafzetting is overal te vinden in de ondergrond van west Nederland, maar ook in de bodem van de Noordzee tot ver van onze kust. Door de stijgende zeespiegel beweegt de kustlijn zich naar het oosten, steeds weer wordt zand afgezet op en voor de kust.
Zo'n 9.000 jaar geleden was de transgressie zo ver gevorderd, dat de kustlijn ongeveer de huidige positie had bereikt en dat Engeland door het Nauw van Calais was
gescheiden van het vaste land.

Nederland ongeveer 8000 jaar geleden.

8.000 jaar geleden was al heel veel ijs gesmolten en hadden de gletsjers zich teruggetrokken, naar het noorden en naar de bergen. Doordat minder water vrij kwam, nam het tempo van de zeespiegelstijging af. Daardoor kon de aanvoer van sediment de stijging van de zeespiegel bijhouden en compenseren. Zo stopte de transgressie en stabiliseerde de kustlijn. Voor de kust van Holland, tussen de hogere delen van Zeeuws Vlaanderen en de keileemruggen vanTexel en Wieringen, waren zandbanken gevormd. Deze groeiden uit tot duinen en vormden zo een kustbarrière, een open eilandenkust met zeegaten en daarachter waddengebieden met getijdenwerking, landinwaarts overgaand in slikken en kwelders. Dit kwelderlandschap bereikte de Vechtstreek echter niet. De vechtstreek bleef onder invloed staan
het zoete water dat afstroomde van de Utrechtse Heuvelrug. Dit gebeurde zowel als grondwater als ook als kleine beekjes.










                                                                                                                                                                                                                                              Veenvorming in achterland
Landinwaarts ging het naar het westen afstromende kwelwater van de Heuvelrug een belangrijke rol spelen bij de vorming van het landschap. Door de stijging van de zeespiegel steeg ook het grondwater, waardoor in de westelijk Vechtstreek moerassen en ondiepe meren ontstonden waarin riet en andere planten gingen groeien. Deze omstandigheden gaven aanleiding tot veenvorming (Formatie van Nieuwkoop). Door de afsluitende werking van het veenpakket, kwam het kwelwater op een steeds hogere plaats uit het zandpakket en verplaatste het kwelvenster – de plaats waar de kwel aan de oppervlakte treedt – zich naar het oosten, waardoor ook de veenvorming oostwaarts tegen de Heuvelrug opkroop.
De kustbarrière werd gevormd in het dynamisch evenwicht tussen zeespiegelstijging, sedimenttransport, stroming, getijdenwerking, de nabijheid van een zeegat en stormvloeden.
Perioden met grotere, actieve invloed van de zee, waarbij landverlies optrad, werden afgewisseld door perioden met een relatief ongestoorde veenvorming in het achterland. Zo"n 5500 jaar geleden was de zee heel ver het land binnen gedrongen en werden grote hoeveelheden veen weggeslagen. Voorbij Uithoorn, tot aan Waverveen ontstond een waddenmilieu met kwelders en slikken en met hier en daar afzetting van zwavelrijke klei. Toen duizenden jaren later, na de droogmaking van de polder Groot Mijdrecht, de boeren dit gebied in gebruik namen, kregen ze veel last van de zwavel. Deze oxydeerde tot zwavelzuur en moest met kalk worden geneutraliseerd (zie ook: bodemkaart polder Groot Mijdrecht 1920). Ten oosten van het kwelderlandschappen in het latere stroomgebied van de Vecht bleven de moerassen bestaan en ging de opbouw van het veen ongestoord door.

De duinenrij sluit zich definitief
In de ontwikkeling van de Hollandse kust trad tussen ruim 3.000 en 500 v.Chr jaar geleden een belangrijke kentering op. In een tijdsbestek van ruim 2.000 jaar veranderde de open kunst, bestaande uit een duinenrij met veel zeegaten, langzaam steeds meer in een gesloten kust met een vrijwel geheel doorlopend strand en duinenrij en met nog slechts een enkele opening. Door het ontstaan van de nieuwe duinenrij, westelijk van de oude duinen - bij Heiloo, Haarlem en Oegstgeest - kwam een einde aan de invloed van de zee tot ver in het binnenland.
Achter de duinenrij ontstond een enorme lagune, een laagte, die zich uitstrekte van Zeeland tot in Noord-Duitsland en die ter hoogte van de Vechtstreek in het oosten begrensd werd door de Utrechtse Heuvelrug en het Gooi. In deze laagte heersten, mede door het warme en door de invloed van de zee vochtige klimaat, ideale omstandigheden voor grootschalige veenvorming, die enkele duizenden jaren min of meer ongestoord kon doorgaan (Zie ook: verlanding en veenvorming).

In de gesloten Hollandse kunstlijn waren maar enkele plaatsen waar het overtollige water op zee geloosd kon worden. Dat waren de Schelde in de Zeeuwse wateren, de Maas in de buurt van Rotterdam, de monding van de Oude Rijn bij Katwijk, het Oer-IJ bij Egmond en in het noorden, bij Texel, het Vlie (zie timeline 500 v Chr). Door het verzanden van een aantal van deze mondingen steeg het (grond-)waterpeil in de lagune nog verder en kon de veenontwikkeling zich oostwaarts uitbreiden en verder opklimmen tegen de Heuvelrug. Hier ontstonden dunne veenlagen die later bij de ontginning en

vervening
petgat; min of meer smalle strook water waar in de 16de tot 19de eeuw het veen is weggebaggerd voor de turf productie. Petgaten zijn meestal niet dieper dan 2 m.
weer verdwenen zijn. In het centrum van het veengebied bereikte het veenpakket een dikte van meer dan 10 m.

.Het "Vechtdal"

Tussen 3.000 en 3.500 jaar geleden bestond het Vechtlandschap uit een 6 km breed dal, het "Vechtdal", met een aantal meren (van zuid naar noord het Breukelermeer, Loenermeer, Horstermeer, Aetsveldermeer en Muidermeer) en een vlechtwerk van veenriviertjes te midden van twee grote veenmosveengebieden: in het oosten, tegen de Heuvelrug aan, een langgerekte veenrug, de "Stichtse Venen" en in het westen, de Ronde Venen, het klassieke voorbeeld van een koepelveen. Ten zuiden van het koepelveen lag een grote eutrofe veenvlakte die zich uitstrekte tot aan de Oude Rijn.

Vecht-Angstel systeem
In het "Vechtdal" kwam het Vecht-Angstel systeem tot ontwikkeling dat zorg droeg voor de afvoer van het overtollige water van de grote mosveengebieden en van het kwelwater van de Heuvelrug en dat de meren met elkaar verbond en naar het noorden loosde op het Oer-IJ. Veenriviertjes als de Angstel, de Winkel, de Holendrecht en de Oude Waver voerden het water van de Ronde Venen af; in het oosten vervulden onder andere de Drecht en de Weere die functie voor de Stichtse Venen.

Gebruikmalend van de veenrivieren van het Vecht-Angstel systeem stond de Rijn 3.500 jaar geleden al incidenteel in verbinding met het Oer-IJ. Dat blijkt uit bodemmonsters uit het Vechtgebied waarin stuifmeelkorrels zijn gevonden van naaldbomen die alleen in het Zwarte Woud en de Vogezen voorkwamen.

De Vecht als noordelijkste Rijntak
De Vecht en de Angstel veranderden volledig van karakter toen rond 3000 jaar geleden de Rijn bij Utrecht uit zijn oevers brak (avulsie) en het bestaande Vecht-Angstel systeem gebruikte om zijn water af te voeren naar het Oer-IJ. In korte tijd veranderde het landschap van het Vechtdal volledig door de grote hoeveelheden sediment die met het Rijnwater werden aangevoerd en in het Vechtdal werden afgezet en door de eroderende werking van de rivier. De rivier De Vecht erodeerde de gehele ondergrond tot op de pleistocene zandgrondsleep de bestaande loop van de veenrivier verder uit, in de breedte en in de diepte, tot in de Pleistocene ondergrond. In de bedding, waar de stroming het sterkste was, bleven de zwaarste deeltjes (zand en fijn grind) achter.

Waar de rivier in een meer uitmondde, bezonk het sediment, waardoor het meer werd gevuld tot het vol was en de rivier haar sediment naar een volgend meer kon vervoeren. Door deze sedimentvangen bleef uiteindelijk in de benedenloop onvoldoende materiaal over om nog een brede

oeverwal
oeverwal; De eerste strook grond langs de rivier die hoger ligt dan de omgeving. De oeverwal bestaat uit zand en klei en is daar neergelegd door de rivier in de periode dat deze een tak van de Rijn vormde.
te kunnen vormen. Ook het grovere sediment was al in de bovenloop afgezet.

Tot Breukelen volgde de rivier de huidige Vechtloop, waar hij in het Breukelermeer kwam. Nadat dit meer binnen enkele tientallen jaren was opgevuld en vervolgens ook het Loenermeer, volgde de rivier de huidige loop van de Angstel en kwam bij het huidige Abcoude in het Aetsveldsemeer. Dat werd in noordoostelijke richting gevuld, waarna het water in het "Muidermeer" en uiteindelijk richting het Oer-IJ werd geloosd.

Pas nadat 2.440 jaar geleden bij Loenen de rivier uit zijn oevers trad en zijn loop, ten nadele van de Angstel, noordoostwaarts verlegde in het huidige Vechtbed, werd ook sediment afgezet in het Horstermeer.

Het belang van de Vecht als belangrijke afvoertak van de Rijn nam echter sterk af, met als gevolg dat ook de aanvoer van sediment in het Vechtgebied stagneerde en het Horstermeer voor een deel open bleef. Ook de

oeverwal
oeverwal; De eerste strook grond langs de rivier die hoger ligt dan de omgeving. De oeverwal bestaat uit zand en klei en is daar neergelegd door de rivier in de periode dat deze een tak van de Rijn vormde.
van de noordelijke Vecht kon zich nauwelijks ontwikkelen. Nog verder stroomafwaarts werd nog wat sediment afgezet in het Aetsveldsemeer. Ook hier werd het oostelijk deel niet opgevuld: daar ontstond het Naardermeer.

De Loenerlaak, de oude Vechtbedding tussen Loenen en Loenersloot, slibde steeds verder dicht en vormt nu samen met de beide oeverwallen een mooi voorbeeld van een stroomrug. Het slingerende tracé van de Rijksstraatweg volgt de oude rivierbedding. De boerderijen – en een deel van het dorp Loenen – zijn op de

oeverwal
oeverwal; De eerste strook grond langs de rivier die hoger ligt dan de omgeving. De oeverwal bestaat uit zand en klei en is daar neergelegd door de rivier in de periode dat deze een tak van de Rijn vormde.
gebouwd, die op oude kaarten nog de Slootdijk wordt genoemd.

2.260 jaar geleden brak de Vecht ook bij Breukelen uit zijn oever omdat het bed van de Aa steeds verder was dichtgeslibt. Toen ontstond de huidige loop van deVecht, tot aan Loenen toe.

Rijn verlegt loop naar zuiden
De Rijn verlegde zo"n 2.200 jaar geleden zijn loop steeds verder naar het zuiden. Daarmee nam het belang van de Vecht als noordelijke Rijntak af en werd de aanvoer van sediment naar het Vechtgebied nog kleiner. Dat verklaart niet alleen waarom zowel het Horstermeer als het Aetsveldsemeer niet volledig zijn opgevuld, maar ook waarom er onvoldoende sediment was voor de ontwikkeling van een brede

oeverwal
oeverwal; De eerste strook grond langs de rivier die hoger ligt dan de omgeving. De oeverwal bestaat uit zand en klei en is daar neergelegd door de rivier in de periode dat deze een tak van de Rijn vormde.
in de noordelijke Vechtstreek en langs de nieuwe, oostelijke loop van de Vecht.

Veenvorming gaat door
In de veengebieden die niet onder invloed van de Vecht kwamen te staan ging de veenvorming gewoon door. Toen de invloed van de Rijn op de Vecht kleiner werd stopten de overstromingen en kon de veenvorming in het gebied van de

komgronden
komgronden; De komgronden liggen achter de oeverwal van de rivier en bestaan uit dichte klei die daar in perioden van overstroming van de oeverwal zijn bezonken. (zie ontstaan vechtlandschap)
ook weer op gang komen. Het proces van de veenvorming ging door tot de mens ongeveer 1000 jaar geleden de veengebieden in gebruik ging nemen en ontginnen voor het agrarisch bedrijf. Op de vruchtbare grond van de
oeverwal
oeverwal; De eerste strook grond langs de rivier die hoger ligt dan de omgeving. De oeverwal bestaat uit zand en klei en is daar neergelegd door de rivier in de periode dat deze een tak van de Rijn vormde.
konden zich zware bomen gaan ontwikkelen. Later vestigde de mens zich op de
oeverwal
oeverwal; De eerste strook grond langs de rivier die hoger ligt dan de omgeving. De oeverwal bestaat uit zand en klei en is daar neergelegd door de rivier in de periode dat deze een tak van de Rijn vormde.
om daarvandaan de veenmoerassen te ontginnen.

Vecht wordt weer veenrivier
Zowel Vecht als Angstel bleven actief tot in de Romeinse tijd. De Romeinen stonden bekend om waterstaatkundige ingrepen. Het is waarschijnlijk dat zij de Rijnvoeding van de Vecht hebben verlegd naar de Oude Rijn toen zij zich achter hun door de Rijn gevormde noordgrens, de Limes, terug trokken. Rond 500 na Chr. nam de invloed van de Rijn zo ver af dat de verbinding tussen Vecht en Angstel dicht slibde. Alleen in perioden van hoge waterstanden in de Rijn kwamen gebieden in de Vechtstreek nog onder water te staan.

In het jaar 1122 eindigde de invloed van de Rijn op de Vecht definitief door het afdammen van de Kromme Rijn bij Wijk bij Duurstede. Daarna werd de Vecht weer een, ditmaal deels door de mens gecontroleerde, veenrivier die voornamelijk kwelwater uit de stuwwallen afvoerde.

Oeverwal
oeverwal; De eerste strook grond langs de rivier die hoger ligt dan de omgeving. De oeverwal bestaat uit zand en klei en is daar neergelegd door de rivier in de periode dat deze een tak van de Rijn vormde.

De Vecht kenmerkt zich door een groot verschil in breedte en hoogte van de
oeverwal
oeverwal; De eerste strook grond langs de rivier die hoger ligt dan de omgeving. De oeverwal bestaat uit zand en klei en is daar neergelegd door de rivier in de periode dat deze een tak van de Rijn vormde.
. Vermindering van de sedimentaanvoer, het invangen van het sediment in de meren en het oostwaarts verleggen van de loop, zijn er de oorzaak van dat de noordelijke, Boerenvecht, een veel smallere en lagere (0,5 tot 1,5 m)
oeverwal
oeverwal; De eerste strook grond langs de rivier die hoger ligt dan de omgeving. De oeverwal bestaat uit zand en klei en is daar neergelegd door de rivier in de periode dat deze een tak van de Rijn vormde.
heeft dan de zuidelijke, Herenvecht met zijn brede en hoge (1,5 tot 5 m) oeverwallen. De oeverwallen van de oudere, westelijke loop, de Aa en de Angstel zijn stevig en breed; die van de nieuwere, oostelijke loop bleven daarentegen beperkt omdat de sedimentaanvoer al sterk was verminderd.
De oeverwallen liggen op de stevige ondergrond van het pleistocene zand en bestaan uit een mengsel van zand en klei (zavel). Ze zijn daardoor steviger dan de aangrenzende
komgronden
komgronden; De komgronden liggen achter de oeverwal van de rivier en bestaan uit dichte klei die daar in perioden van overstroming van de oeverwal zijn bezonken. (zie ontstaan vechtlandschap)
en het veen. In de duizenden jaren daarna gaan de
komgronden
komgronden; De komgronden liggen achter de oeverwal van de rivier en bestaan uit dichte klei die daar in perioden van overstroming van de oeverwal zijn bezonken. (zie ontstaan vechtlandschap)
en het veen zakken, waardoor de rivier met zijn oeverwallen boven het omliggende landschap komt te liggen en steeds duidelijker zichtbaar wordt.




De
komgronden
komgronden; De komgronden liggen achter de oeverwal van de rivier en bestaan uit dichte klei die daar in perioden van overstroming van de oeverwal zijn bezonken. (zie ontstaan vechtlandschap)
.

Bij hoge waterstanden spoelde het water van de rivier over de
oeverwal
oeverwal; De eerste strook grond langs de rivier die hoger ligt dan de omgeving. De oeverwal bestaat uit zand en klei en is daar neergelegd door de rivier in de periode dat deze een tak van de Rijn vormde.
naar de lagere daarachter gelegen veengronden. Als het water daar tot stilstand kwam bezonken de fijne kleideeltjes. Achter de
oeverwal
oeverwal; De eerste strook grond langs de rivier die hoger ligt dan de omgeving. De oeverwal bestaat uit zand en klei en is daar neergelegd door de rivier in de periode dat deze een tak van de Rijn vormde.
ontstonden zo de uit fijne klei bestaande
komgronden
komgronden; De komgronden liggen achter de oeverwal van de rivier en bestaan uit dichte klei die daar in perioden van overstroming van de oeverwal zijn bezonken. (zie ontstaan vechtlandschap)
. Het er onder liggende veenpakket werd door de klei samengedrukt en zo kwamen de
komgronden
komgronden; De komgronden liggen achter de oeverwal van de rivier en bestaan uit dichte klei die daar in perioden van overstroming van de oeverwal zijn bezonken. (zie ontstaan vechtlandschap)
steeds lager te liggen ten opzichte van de rivier. De fijne kleiafzettingen worden in de zeventiende eeuw de grondstof voor de pannen- en steenbakkerijen.


Het veengebied
Aan beide zijden van de Vecht had zich een uitgestrekt veengebied ontwikkeld met

bosveen
bosveen; veen rijk aan oude boomstammen, ontsaat door de vertering onder water van afgestorven hout van de broekbossen.
,
rietveen
rietveen; Rietveen is het veen dat onderwater ontstaat door afgestorven riet. Over het algemeen is rietveen rijker aan mineralen dan
mosveen
mosveen; veen onder water ontstaan door afgestorven veenmossen. Mosveen komt voor in dikke lagen en was zeer populair voor het maken van turf. Grote mosveengebieden, zoals het koepelveen van De Ronde Venen en de veenrug ten oosten van de Vecht zijn vrijwel geheel verdwenen door de productie van turf.
en
zeggenveen
zeggenveen; Veen onder water ontstaan door afgestorven zeggen. Zeggenvenen zijn voedselarm en komen in de Vechtstreek voor in smalle zones.
. Komt rietveen in aanraking met zuurstof dan mineraliseert het snel.De veenweiden liggen voor een belangrijk deel op rietveen.
en
mosveen
mosveen; veen onder water ontstaan door afgestorven veenmossen. Mosveen komt voor in dikke lagen en was zeer populair voor het maken van turf. Grote mosveengebieden, zoals het koepelveen van De Ronde Venen en de veenrug ten oosten van de Vecht zijn vrijwel geheel verdwenen door de productie van turf.
. Aan de oostzijde van de Vecht had zich voornamelijk
mosveen
mosveen; veen onder water ontstaan door afgestorven veenmossen. Mosveen komt voor in dikke lagen en was zeer populair voor het maken van turf. Grote mosveengebieden, zoals het koepelveen van De Ronde Venen en de veenrug ten oosten van de Vecht zijn vrijwel geheel verdwenen door de productie van turf.
ontwikkeld met een rand zeggeveen tegen de zandgronden. Het mosveengebied liep hier en daar, zoals bij Vreeland, tot vlak aan de Vecht. Aan de westzijde lagen verschillende koepelvenen , waarvan het koepelveen van de Ronde Venen het grootst was. Het bestond uit  brede randen
rietveen
rietveen; Rietveen is het veen dat onderwater ontstaat door afgestorven riet. Over het algemeen is rietveen rijker aan mineralen dan
mosveen
mosveen; veen onder water ontstaan door afgestorven veenmossen. Mosveen komt voor in dikke lagen en was zeer populair voor het maken van turf. Grote mosveengebieden, zoals het koepelveen van De Ronde Venen en de veenrug ten oosten van de Vecht zijn vrijwel geheel verdwenen door de productie van turf.
en
zeggenveen
zeggenveen; Veen onder water ontstaan door afgestorven zeggen. Zeggenvenen zijn voedselarm en komen in de Vechtstreek voor in smalle zones.
. Komt rietveen in aanraking met zuurstof dan mineraliseert het snel.De veenweiden liggen voor een belangrijk deel op rietveen.
en
bosveen
bosveen; veen rijk aan oude boomstammen, ontsaat door de vertering onder water van afgestorven hout van de broekbossen.
en in het midden tussen Vinkeveen, Waverveen en Mijdrecht een groot mosveengebied. Ten zuiden van het koepelveen van de Ronde Venen lag een uitgestrekt gebied aan
bosveen
bosveen; veen rijk aan oude boomstammen, ontsaat door de vertering onder water van afgestorven hout van de broekbossen.
en
rietveen
rietveen; Rietveen is het veen dat onderwater ontstaat door afgestorven riet. Over het algemeen is rietveen rijker aan mineralen dan
mosveen
mosveen; veen onder water ontstaan door afgestorven veenmossen. Mosveen komt voor in dikke lagen en was zeer populair voor het maken van turf. Grote mosveengebieden, zoals het koepelveen van De Ronde Venen en de veenrug ten oosten van de Vecht zijn vrijwel geheel verdwenen door de productie van turf.
en
zeggenveen
zeggenveen; Veen onder water ontstaan door afgestorven zeggen. Zeggenvenen zijn voedselarm en komen in de Vechtstreek voor in smalle zones.
. Komt rietveen in aanraking met zuurstof dan mineraliseert het snel.De veenweiden liggen voor een belangrijk deel op rietveen.
doorlopend tot de afzettingen van de Oude Rijn. Deze structuur van het landschap is bepalend voor de huidige structuur van ons landschap. Bij de grote ontginning, omstreeks jaar 1000, wordt het koepelveen ontgonnen door lange sloten te graven naar het hoogste punt, zo ontstond de Ronde Venen. Zuidelijker in het vlakkere gebied ontstaat de zes-voorling verkaveling. Aan de oostzijde van de Vecht kan ook weer gebruik gemaakt worden van het hoogteverschil en ontstaat de opstrekkende verkaveling met lange sloten in oostelijke richting van het Noorderpark (zie ook de grote ontginning). Bij de latere turfwinning was vooral het
mosveen
mosveen; veen onder water ontstaan door afgestorven veenmossen. Mosveen komt voor in dikke lagen en was zeer populair voor het maken van turf. Grote mosveengebieden, zoals het koepelveen van De Ronde Venen en de veenrug ten oosten van de Vecht zijn vrijwel geheel verdwenen door de productie van turf.
belangrijk. De ligging van de mosveengebieden komen danook overeen met de ligging van de plassen en de droogmakerijen (zie ook: verlanding en veenvorming).
















                

                                                                                          De Zuiderzee en het veengebied.
Na het de sluiting van de duinenrij kon het grond- en oppervaktewater nog nauwelijks een uitweg vinden
naar zee. De Oude Rijn en het Oer IJ waren de enige afvoeren van het overtollige water in het gebied van midden Holland. Deze afwatering verliep echter steeds trager daar de Oude Rijn en het Oer IJ sterk 
 verzandden Het resultaat was een constant stijgende waterstand. In de loop van een paar duizend jaar kon zich daardoor in de laagte, die zich uitstrekte van Zeeland tot in Noord Duitsland (Vos, 500 v.Chr = 2450 BP), een enorm veengebied vormen met daarin een aantal zoetwatermeren, waaronder het Flevomeer. Dit gebied werd in het noorden tegen de zee beschermd door een rij eilanden met daarachter een groot gebied met wadden en kwelders. Dit veranderde drastisch toen rond 2300 jaar geleden bij Texel een doorbraak ontstond, het Vlie, en er een verbinding tot stand kwam met de meren in de toekomstige Zuiderzee. Het water uit het veengebied kon nu vrij afstromen naar het oosten!  Het grondwaterpeil zakte en het veen begon snel in te klinken. Door het zakken van het land door de toenemende
inklink
inklink; Het veen dat door ontwatering van het landschap boven het grondwater komt te liggen verteert. Hierdoor zakt het landschap, dit noemt men inklink. De inklink kan meer dan 2 cm per jaar bedragen.
veroorzaakt door een verbeterde afvoer van water, werd het veengebied steeds kwetsbaarder voor  golfslag en werden de meren steeds groter. Omstreeks de Romeinse tijd was er al een open verbinding via de Vecht naar de Noordzee via het Flevomeer. (Vos, 50 nc) Het aaneengesloten veengebied van Noord Holland werd een eilandenrijk.Langzamerhand werd het water brak en groeide het Flevomeer uit tot het Almere, dat onder invloed kwam van getijdenwerking, waardoor erosie toenam (zie ook
inklink
inklink; Het veen dat door ontwatering van het landschap boven het grondwater komt te liggen verteert. Hierdoor zakt het landschap, dit noemt men inklink. De inklink kan meer dan 2 cm per jaar bedragen.
).

Veranderingen van de dikte van het veenpakket in de Noordelijke vechtstreek. Opvallend is de snelle vermindering van de dikte na het ontstaan van de Zuiderzee.










Stormvloeden
Zware stormvloeden, zoals de Allerheiligenvloed van 1170, waarbij het Creiler Woud tussen Texel en Medemblik werd verzwolgen en er tot voor de poorten van Utrecht eb en vloed optrad, zorgden in de Middeleeuwen voor grootschalig landverlies. 800 jaar geleden verdween de landbrug tussen West-Friesland en Friesland en ontstond de Zuiderzee. De Vecht wordt een zoetwater getijderivier.

Naarmate de Zuiderzee groter werd, werd de getijdenwerking sterker, nam het zoutgehalte toe en nam haar invloed op de Vechtstreek toe. Steeds wanneer er aanhoudend noordenwinden waren, was er gevaar voor overstroming. We vinden dat terug in de zeeklei die in de 12de en 13de eeuw bij grote overstromingen in de noordelijke Vechtstreek op het veen is afgezet. Uit deze periode stammen ook de eerste pogingen om de

oeverwal
oeverwal; De eerste strook grond langs de rivier die hoger ligt dan de omgeving. De oeverwal bestaat uit zand en klei en is daar neergelegd door de rivier in de periode dat deze een tak van de Rijn vormde.
te verhogen. Dat waren vroege bedijkingen, waar vervolgens de zee weer doorheen brak, zoals af te lezen aan de wielen met Zuiderzeeklei in de Polder Aetsvelds. Ook uit het voorkomen van bepaalde kiezelwieren is af te leiden dat 1000 jaar geleden het zoute water tot bij Abcoude invloed had.













Dijken en dammen
Het laaggelegen gebied tussen Amsterdam en Muiderberg werd in de 13de eeuw beschermd door de aanleg van een dijk: de Diemerzeedijk. Deze dijk brak herhaaldelijk door. Daarbij kwam niet alleen het achterliggende land onder water te staan, maar kwam het zoute water tot diep in het binnenland, tot in grote delen van Utrecht en Zuid-Holland.

In deze dijk lag bij Muiden de uitmonding van de Vecht in de Zuiderzee. Deze was toen nog niet met een dam of sluis afgesloten. Om de invloed van de Zuiderzee in het binnenland in te tomen werd rond 1130 tussen Maarssen en Breukelen de Otterspoordam aangelegd. Deze had tot doel de stad Utrecht tegen wateroverlast te beschermen.

Omstreeks 1400 had de Zuiderzee zich ontwikkeld tot een gevaarlijke binnenzee. De dijkdoorbraak tijdens de Sint-Elisabethsvloed van 1421 was voor de graven van Holland aanleiding om de bisschop van Utrecht bij het dijkonderhoud te betrekken.
Dat leidde in 1437 tot de aanleg van de Hinderdam op de grens van Holland en het Sticht Utrecht. Een sluis bij Muiden was voor Utrecht nog niet bespreekbaar. Deze kon pas worden gerealiseerd toen Utrecht in het Rampjaar 1672/73 door de Fransen was bezet en ook de Utrechtse Staten buiten spel waren gezet. De nog bestaande schutsluis kwam in 1673 gereed. De Hinderdam werd toen opgeruimd.

Met de aanleg van de Grote Zeesluis in Muiden waren de Vechtdijken niet langer tevens zeedijk.
De laatste grote overstroming van de Vecht vond nog plaats in november 1928. Uit angst voor nog meer overstromingen, de schade voor de landbouw en de gevaren voor de volksgezondheid kreeg de westelijke doorvaartgang van de Zeesluis in Muiden toch nog het lang verwachte Vechtgemaal. Twee jaar later, met de afsluiting van de Afsluitdijk in 1932, kwam definitief een einde aan de directe invloed van de zee op de Vechtstreek.





















De veengebieden
Het koepelveen van de Ronde Venen bereikt omstreeks jaar 1000 zijn grootste omvang. Het hoogste deel ligt dan 5-6 meter boven het peil van de veenriviertjes.In die periode gaat de mens het gebied ontginnen geschikt maken voor het agrarisch bedrijf. Voor de ontwatering worden sloten gegraven waardoor de bovenste laag van het veenpakket boven het grondwater komt te liggen en verteert (zie ook: de grote ontginning). Het landschap zakt daardoor tot twee centimeter per jaar. In 1400 is er nog nauwelijks landbouw mogelijk omdat het grondwater even hoog staat als het peil in de veenriviertjes en het water niet meer afstroomt  (zie ook: het agrarisch bedrijf 1000-1500). Door de ontwikkeling van de windwatermolen en de vorming van kleine polders verbetert de situatie voor de landbouw weer. De volgende belangrijke ingreep in het landschap is de
vervening
petgat; min of meer smalle strook water waar in de 16de tot 19de eeuw het veen is weggebaggerd voor de turf productie. Petgaten zijn meestal niet dieper dan 2 m.
, waarij in het centrale deel van het koepelveen grote plassen onstaan (zie ook: de
vervening
petgat; min of meer smalle strook water waar in de 16de tot 19de eeuw het veen is weggebaggerd voor de turf productie. Petgaten zijn meestal niet dieper dan 2 m.
). In de eeuwen daarna worden deze weer ingepolderd en blijven alleen de Botshol en de Vinkeveense Plassen watergebieden (zie ook: de droogmakerijen). Tot op heden is het zakken van het landschap door
inklink
inklink; Het veen dat door ontwatering van het landschap boven het grondwater komt te liggen verteert. Hierdoor zakt het landschap, dit noemt men inklink. De inklink kan meer dan 2 cm per jaar bedragen.
een groot probleem gebleven.
 
  • distal delta-plain successions, ISBN: 978-90-393-5463-6
    beschrijving ontstaan Vechtgebied, proefschrift UU.
kaart
Ontstaan Vechtlandschap
Eerste bewoning
Agrarisch bedrijf 1000-1500
Grote ontginning
Machtsstrijd Utrecht-Holland
Kastelen
Economie 1350-1575
Waterhuishouding
Vervening
Agrarisch bedrijf 1500-1660
Economie 1575-1850
Droogmakerijen
Buitenplaatsen
Agrarisch bedrijf 1660-1760
Agrarisch bedrijf 1760-1870
Industrialisatie
Agrarisch bedrijf 1870-1940
Agrarisch bedrijf 1945-heden
Cultuur & recreatie
Waterhuishouding
verander wachtwoord - log uit
COOKIES
Deze website maakt gebruik van Cookies. - Wilt U Cookies toestaan?